De AVG geldt voor de hele Europese Unie (EU) en vervangt in Nederland de huidige Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De nieuwe verordening zorgt voor een versterking en uitbreiding van privacyrechten én zorgt voor meer verplichtingen voor organisaties die persoonsgegevens verwerken. De nadruk ligt – meer dan nu- op de verantwoordelijkheid van organisaties om te kunnen aantonen dat zij zich aan de wet houden. De Autoriteit Persoonsgegevens adviseert op tijd te beginnen met de implementatie van de regels.
Stap 1 is volgens de Autoriteit Persoonsgegevens zorgen voor bewustwording in de organisatie. Wat houden de nieuwe regels in? En wat betekenen deze regels voor menskracht en middelen? Een volgende stap is de rechten van betrokkenen goed in kaart te brengen. Het gaat dan om bestaande rechten, zoals het recht op inzage en verwijdering van gegevens. Maar ook om nieuwe rechten, zoals het recht op dataportabiliteit; het recht om persoonsgegevens te ontvangen die een organisatie heeft, deze zelf op te slaan of door te geven aan een andere organisatie. Ook moeten organisaties er rekening mee houden dat mensen bij de AP klachten kunnen indienen over de manier waarop organisaties met hun gegevens omgaan. De AP is verplicht deze klachten te behandelen.
Onder de AVG kunnen organisaties verplicht zijn een privacy impact assessment uit te voeren. Dat is een instrument om vooraf de privacyrisico’s van een gegevensverwerking in kaart te brengen, om vervolgens maatregelen te kunnen nemen om de risico’s te verkleinen. Een PIA is verplicht als een gegevensverwerking waarschijnlijk een hoog privacyrisico oplevert voor de mensen van wie de organisatie gegevens verwerkt. Dat is in ieder geval zo als een organisatie:
systematisch en uitvoerig persoonlijke aspecten evalueert, waaronder profilering;
op grote schaal bijzondere persoonsgegevens verwerkt;
op grote schaal en systematisch mensen volgt in een publiek toegankelijk gebied (bijvoorbeeld met cameratoezicht).
Bron: Autoriteit Persoonsgegevens 13-04-2017
Een uitzendbureau is geen assurantietussenpersoon
Een uitzendbureau is geen assurantietussenpersoon
Rechtbank Zeeland-West-Brabant overweegt dat indien een ondernemer betalingen aan een andere ondernemer verricht, als regel ervan mag worden uitgegaan dat deze betalingen de tegenwaarde voor een prestatie vormen. Naar het oordeel van de rechtbank is er in het onderhavige geval sprake van een dienst aan de verzekeraar waarvoor het bedrag van de collectiviteitskorting de tegenwaarde vormt. De dienst waarvoor de verzekeraar betaalt, is in de kern het aanbrengen van uitzendkrachten/verzekeringnemers. Tussen die dienst en de vergoeding bestaat ook een causaal verband, aldus de rechtbank. Het uitzendbureau betoogt nog dat er geen sprake is van een prestatie waarvoor de vergoeding de tegenwaarde is en komt met de hypothetische stelling dat als de korting volledig zou zijn doorgegeven aan de uitzendkrachten van een vergoeding voor een dienst ook geen sprake zou zijn. Volgens de rechtbank die een dergelijke situatie echter zowel feitelijk als juridisch anders dan de onderhavige situatie en laat verder in het midden wat de gevolgen voor de btw zouden zijn geweest als het uitzendbureau inderdaad de collectiviteitskorting had doorgegeven.
Het uitzendbureau doet, zo er dan sprake is van een dienst, nog een beroep op de vrijstelling voor assurantietussenpersonen (art. 11 lid 1 k Wet OB 1964). De rechtbank is echter van oordeel dat op basis van de feiten niet kan worden gezegd dat hier sprake is van een handeling ter zake van verzekering (of een daarmee samenhangende dienst) die wordt verricht door een assurantiemakelaar of door een verzekeringstussenpersoon. De hier bedoelde vrijstelling moet volgens de rechtbank strikt worden uitgelegd: het aanbrengen van uitzendkrachten bij de verzekeraar is volgens de rechtbank onvoldoende om het uitzendbureau te kunnen aanmerken als een assurantiemakelaar of verzekeringstussenpersoon. Ook gelet op haar kernactiviteiten, kan niet gezegd worden dat het uitzendbureau diensten verricht die kenmerkend zijn voor een assurantiemakelaar of verzekeringstussenpersoon.
Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 9-03-2017
Geen notoire wanbetaler, verzuimboete vernietigd
Geen notoire wanbetaler, verzuimboete vernietigd
Een bv heeft haar nadere voorlopige aanslag Vpb 2013 niet betaald omdat deze gebaseerd was op onjuiste gegevens. De bv heeft verzocht om uitstel van betaling. De Ontvanger stelt dit verzoek niet te hebben ontvangen en legt een betaalverzuimboete op van € 2.723. Ter onderbouwing van de boetebeschikking verwijst de Ontvanger naar in een intern memo vervat beleid van de Belastingdienst. In dit memo is het volgende opgenomen: ‘In de Parlementaire Geschiedenis is aangegeven dat de betaalverzuimboetes zullen worden opgelegd aan notoire wanbetalers. Deze maatregel werd geacht een hoge opbrengst te genereren. Omdat – na evaluatie van de eerste ervaringen – duidelijk werd dat bij het opleggen van de boetes alleen aan notoire wanbetalers deze doelstelling niet gehaald zou worden is besloten om deze maatregel breder in te zetten.’
Volgens Hof Den Bosch blijkt uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever de bevoegdheid tot het opleggen van de betaalverzuimboete heeft willen beperken tot gevallen van notoire wanbetalers. Het in het interne memo van de Belastingdienst vervatte beleid strookt daarom niet met de bedoeling van de wetgever. Daar de Ontvanger heeft niet onderbouwd waarom de bv als notoire wanbetaler kan worden aangemerkt en het enkele niet-betalen van de eerste nadere voorlopige aanslag van de bv nog geen notoire wanbetaler maakt, is het hof van mening dat de boetebeschikking vernietigd dient te worden.
Bron: Hof Den Bosch, 23-02-2017
Geen Nederlandse cao voor Hongaarse chauffeurs
Geen Nederlandse cao voor Hongaarse chauffeurs
De zaken betroffen en Nederlands transportbedrijf dat met onder meer een Duits en Hongaars transportbedrijf een concern vormt. De Duitse en Hongaarse concernonderdelen verrichten in opdracht van het Nederlandse bedrijf internationale transporten. Volgens vakbond FNV zijn voor de Hongaarse (en Duitse) chauffeurs van die transporten de zogenoemde charterbepaling van toepassing. Die bepaling, opgenomen in art. 44 van de cao Goederenvervoer Nederland houdt in dat de werkgever gehouden is in overeenkomsten van onderaanneming die in of vanuit de in Nederland gevestigde onderneming worden uitgevoerd te bedingen dat voor de betreffende werknemers de basisarbeidsvoorwaarden uit de Nederlandse cao wordt toegepast.
Hof Den Bosch stelt vast dat in deze zaak geen sprake is van buitenlandse postbusfirma’s. De buitenlandse concernonderdelen betreffen ondernemingen die wezenlijke activiteiten verrichten. Ook is volgens het hof geen sprake van het tijdelijk verrichten van werk in Nederland. Het gaat om transporten die slechts voor een klein deel in Nederland plaatsvinden en voor het overgrote deel in het buitenland. Dit leidt volgens het hof tot het oordeel dat de Europese Detacheringsrichtlijn niet van toepassing is. Volgens het hof heeft de charterbepaling tot doel de bescherming die de Detacheringsrichtlijn geeft, te bevorderen. Die charterbepaling schept op zichzelf geen verplichting voor het Nederlandse transportbedrijf als de Detacheringsrichtlijn niet van toepassing is. Daarom kan FNV in deze zaak geen beroep doen op naleving van de charterbepaling, aldus het hof.
Het hof heeft beide zaken terugverwezen naar de kantonrechter die met inachtneming van de uitspraak van het hof een beslissing moet nemen.
Bron: Hof Den Bosch 2-05-2017
Ontvanger moet juistheid belastingschuld aannemelijk maken
Ontvanger moet juistheid belastingschuld aannemelijk maken
Aan een bv worden naheffingsaanslagen opgelegd over de jaren 2007 tot en met 2008. Na bezwaar en beroep tegen de aanslagen wordt de aanslag 2007 door de rechtbank uiteindelijk verminderd tot € 2.308 en een boetebeschikking van € 462. De aanslag voor 2008 wordt door het hof uiteindelijk vastgesteld op € 2.191 met een boetebeschikking van € 438. De aanslagen blijven onbetaald en er wordt ook namens de bv geen melding betalingsonmacht gedaan. De bestuurder wordt vervolgens aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen 2007 en 2008. Het gaat hierbij om bedragen van respectievelijk € 3.515 (aanslag € 3.039, invorderingsrente € 461 en kosten € 15) en € 3.594 (aanslag € 2.911, invorderingsrente € 422 en kosten € 241). De bestuurder betwist dat de ontvanger hem voor de juiste bedragen aansprakelijk heeft gesteld.
De rechtbank oordeelt dat op de ontvanger de stelplicht en bewijslast rust dat de bestuurder voor de juiste bedragen aan door de bv verschuldigde loonheffingen, rente en kosten aansprakelijk is gesteld. Noch uit de stukken in het geding, noch uit hetgeen de ontvanger ter zitting naar voren brengt blijkt hoe de bedragen nu precies zijn opgebouwd. De ontvanger geeft aan de bedragen te hebben afgeleid uit het systeem en de uitspraken van de rechtbank en het hof, maar kan desgevraagd geen aansluiting maken tussen die bedragen en het beloop van de aansprakelijkstelling. Ook is niet inzichtelijk gemaakt welk deel ziet op loonheffingen, welk deel op heffingsrente en welk deel ziet op aan de bv opgelegde boeten. Ook is in de bezwaar- en beroepsfase aangegeven dat verrekeningen met teruggaven omzetbelasting mogelijk waren. kunnen plaatsvinden. De ontvanger geeft aan dat die verrekeningen hebben plaatsgevonden, maar kan niet aangeven in hoeverre deze verrekeningen invloed hebben gehad op de belastingschulden. Omdat de ontvanger het beloop en de juistheid van de belasting- en premieschuld waarvoor de bestuurder aansprakelijk is gesteld, niet aannemelijk heeft gemaakt, kan volgens de rechtbank de aansprakelijkstelling niet in stand blijven.
Bron: Rb. Noord-Nederland 23-08-2017
Opname in rekening-courant geen loon
Opname in rekening-courant geen loon
Een vastgoedondernemer is dga van verschillende vennootschappen. Met twee van die vennootschappen heeft hij rekening-courantverhoudingen. De schuld aan één van de vennootschappen bedroeg op 1 januari 2009 € 13.674.085. In 2009 hebben opnames plaatsgevonden tot een bedrag van (per saldo) € 837.389.
De inspecteur heeft ambtshalve een aanslag IB/PVV voor 2009 opgelegd naar een geschat belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.000.000. Deze aanslag berust op meerdere onderdelen, waaronder fictief loon uit werkzaamheden voor enkele vennootschappen (€ 180.000 per vennootschap) en onttrekkingen via de rekening-courantverhouding.
Wat betreft het fictief loon is de inspecteur voor de aanslag uitgegaan van de Balkenendenorm omdat die in de vastgoedsector als zeer laag wordt beschouwd. Volgens de rechtbank gaat de inspecteur hier er vanuit dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt in het economische verkeer een hoger loon gebruikelijk is. Hiervoor is echter mede de omvang van de activiteiten van belang. De inspecteur heeft over eerdere jaren ingestemd met een fictief loon van € 40.000 en er is geen enkele aanwijzing dat de dga in 2009 meer werkzaamheden heeft verricht dan in voorgaande jaren. De rechtbank meent daarom dat een fictief loon van € 40.000 redelijk is.
Wat betreft de rekening-courantopnames stelt de inspecteur dat de dga de gelden vanuit zijn feitelijke machtspositie heeft kunnen opnemen en heeft genoten als feitelijk bestuurder. In dat geval zou het bedrag aangemerkt moeten worden als loon. De rechtbank volgt dit standpunt niet en verwijst daarvoor mede naar het oordeel over het fictieve loon. Het hangt van de omstandigheden van het geval af of in een situatie als deze sprake is van inkomen uit werk en woning. De enkele omstandigheden dat er sprake is van een rekening-courantverhouding, dat de opgenomen gelden voor privéuitgaven zijn gebruikt en dat er niet anderszins een salaris is uitbetaald, maken de rekening-courantopnames nog geen loon. Er moet naar het oordeel van de rechtbank een verband zijn tussen de werkzaamheden van de dga en de opnames in rekening-courant om deze als loon te kunnen bestempelen. De inspecteur heeft geen andere omstandigheden gesteld die dit verband kunnen onderbouwen. De rechtbank acht het derhalve aannemelijk dat de dga over de gelden heeft kunnen beschikken vanuit zijn positie als aandeelhouder en dat hij het voordeel dus als aandeelhouder heeft genoten. In dat geval is het belast als inkomen uit aanmerkelijk belang.
Bron: Rb. Gelderland 19-04-2017
In tien stappen naar nieuwe privacywet
De AVG geldt voor de hele Europese Unie (EU) en vervangt in Nederland de huidige Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De nieuwe verordening zorgt voor een versterking en uitbreiding van privacyrechten én zorgt voor meer verplichtingen voor organisaties die persoonsgegevens verwerken. De nadruk ligt – meer dan nu- op de verantwoordelijkheid van organisaties om te kunnen aantonen dat zij zich aan de wet houden. De Autoriteit Persoonsgegevens adviseert op tijd te beginnen met de implementatie van de regels.
Stap 1 is volgens de Autoriteit Persoonsgegevens zorgen voor bewustwording in de organisatie. Wat houden de nieuwe regels in? En wat betekenen deze regels voor menskracht en middelen? Een volgende stap is de rechten van betrokkenen goed in kaart te brengen. Het gaat dan om bestaande rechten, zoals het recht op inzage en verwijdering van gegevens. Maar ook om nieuwe rechten, zoals het recht op dataportabiliteit; het recht om persoonsgegevens te ontvangen die een organisatie heeft, deze zelf op te slaan of door te geven aan een andere organisatie. Ook moeten organisaties er rekening mee houden dat mensen bij de AP klachten kunnen indienen over de manier waarop organisaties met hun gegevens omgaan. De AP is verplicht deze klachten te behandelen.
Onder de AVG kunnen organisaties verplicht zijn een privacy impact assessment uit te voeren. Dat is een instrument om vooraf de privacyrisico’s van een gegevensverwerking in kaart te brengen, om vervolgens maatregelen te kunnen nemen om de risico’s te verkleinen. Een PIA is verplicht als een gegevensverwerking waarschijnlijk een hoog privacyrisico oplevert voor de mensen van wie de organisatie gegevens verwerkt. Dat is in ieder geval zo als een organisatie:
systematisch en uitvoerig persoonlijke aspecten evalueert, waaronder profilering;
op grote schaal bijzondere persoonsgegevens verwerkt;
op grote schaal en systematisch mensen volgt in een publiek toegankelijk gebied (bijvoorbeeld met cameratoezicht).
Bron: Autoriteit Persoonsgegevens 13-04-2017
Fors minder stakingsdagen in 2016
Fors minder stakingsdagen in 2016
Het aantal stakingen is tussen 2011 en 2015 van 17 naar 27 gestegen, om naar 25 te dalen in 2016. In 2016 waren 11.000 werknemers betrokken bij de stakingen, 31.000 minder dan in 2015. Het aantal stakingen van vijf dagen of langer nam af van 25 naar 18.
Vorig jaar deden de meeste stakingen zich voor in de sectoren industrie en vervoer en opslag (beide 8 stakingen). In de industrie deden 5.000 werknemers deel aan de stakingen, waarbij 9.000 arbeidsdagen verloren gingen.
Van alle stakingen vorig jaar ging het bij zes stakingen om een cao-conflict. Bij vier stakingen ging het uitsluitende om loon- en werktijdkwesties. Verreweg het merendeel van de stakingen (15) had te maken met dreigend ontslag, werkverplaatsing of een sociaal plan.
Bron: CBS 1-05-2017
Acties wegvervoer van de baan
Op zaterdag 22 april heeft overleg plaatsgevonden tussen TLN en de vakbonden FNV, CNV en De Unie over het ultimatum met betrekking tot de KNV cao dat op 25 april aanstaande zou aflopen. Dit overleg heeft geleid tot een onderhandelingsresultaat.
De transportsector kende twee cao’s. De cao Beroepsgoederenvervoer en vervoer van mobiele kranen over de weg, waar het merendeel van de werknemers onder viel, en de cao Goederenveroer (KNV), die van toepassing is op circa 8.000 werknemers. Met de nieuwe cao zouden beid cao’s worden samengevoegd, zodat er nog maar één cao is voor de 130.000 werknemers in de sector. Eind maart kwam er een principeakkoord tot stand voor die nieuwe cao. Omdat voor de werknemers die onder de KNV-cao vielen de nieuwe cao verslechteringen zou inhouden dreigden de bonden met acties.
Een belangrijk resultaat van het overleg is nu dat een groot aantal van de verslechtering voor werknemers die voorheen onder de KNV-cao vielen van de baan zijn. Door dit onderhandelingsresultaat hebben de bonden hun ultimatum opgeschort. De afspraken en waarover de bonden hun achterban zullen gaan raadplegen.
De raadpleging met betrekking tot de KNV achterban van de vakbonden zal naar verwachting tot 6 mei in beslag nemen. Eventuele stakingen en acties bij bedrijven die de KNV-cao toepassen, zijn hiermee vooralsnog niet meer aan de orde.
Bron: TLN 22-04-2017; FNV 22-04-2017
Geen onderneming maar dienstbetrekking
Geen onderneming maar dienstbetrekking
Een man is sinds 1999 ingeschreven bij de Kamer van koophandel met een eenmanszaak. In 2010 sluit hij als vertegenwoordiger van een vennootschap i.o. een managementovereenkomst met een andere vennootschap. Op grond van die overeenkomst verricht hij vervolgens voor die bv diverse werkzaamheden. Zijn inkomsten geeft hij aan als winst uit onderneming. Nadat de definitieve aanslagen IB/PVV 2010 en 2011 zijn vastgesteld, vindt er een boekenonderzoek plaats. Hieruit concludeert de inspecteur dat er geen sprake is van winst uit onderneming, maar van loon uit dienstbetrekking. Naheffingsaanslagen en boeten worden opgelegd.
Volgens Rechtbank Gelderland is er in deze zaak geen sprake van ondernemerschap. Voor de rechtbank weegt hierbij mee dat de man maandelijks een vaste vergoeding voor zijn werkzaamheden ontving, dit bedrag bij ziekte werd doorbetaald. Ook liep hij geen reëel ondernemersrisico en was er geen sprake van zelfstandigheid. Verder pleegde hij geen investeringen en werden de ontwikkelde producten eigendom van de bv waarvoor hij managementactiviteiten verrichtte.
Vervolgens bekijkt de rechtbank of sprake is van loon uit dienstbetrekking. Dit is volgens de rechtbank het geval daar de arbeidsrelatie aan de drie kenmerken voor een dienstbetrekking voldoet: verplichting tot persoonlijke arbeid, loonbetaling en gezagsverhouding. Met betrekking tot de vergrijpboetes oordeelt de rechtbank dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van grove schuld, met als gevolg dat de boetes worden vernietigd.
Bron: Rb. Gelderland 6-04-201
Halfjaarsrapportage Belastingdienst: digitaal bezwaar indienen
Halfjaarsrapportage Belastingdienst: digitaal bezwaar indienen
De communicatie van de Belastingdienst naar de belastingbetaler sluit nog niet voldoende aan bij de praktijk van de belastingbetaler. Mensen zijn gewend digitaal zaken te doen, terwijl de Belastingdienst nog vooral brieven stuurt. De brieven worden ook vaak op een voor de belastingbetaler onlogisch moment ontvangen, wat resulteert in (teveel) telefoontjes naar de Belastingdienst. Het streven is om de interactie met de belastingbetaler te moderniseren en te vergemakkelijken, waarbij zo veel mogelijk gebruik wordt gemaakt van digitale middelen. Het aantal juridische beschikkingen moet de komende jaren sterk worden verminderd. Belastingplichtigen moeten bijvoorbeeld op ieder gewenst moment overzicht hebben van hun fiscale situatie. Het aantal formele bezwaren moet omlaag.
Er wordt op dit moment gewerkt aan een nieuwe voorziening om langs digitale weg bezwaar in te dienen. Onderdeel van de nieuwe voorziening is een module die de belastingplichtige meer duidelijkheid kan geven over het nut en de noodzaak om bezwaar in te dienen, en die aangeeft of er ook een andere route is voor wat hij wil bereiken (bijvoorbeeld een verzoek om uitstel van betaling indienen). Verder zal in de nieuwe voorziening het verloop van een ingediend bezwaar zichtbaar zijn. Een nieuwe, digitale aangifte als correctie op de al ingediende aangifte wordt nu vaak als bezwaarschrift behandeld hetgeen vragen oproept bij de belastingplichtige. Aanvullingen die via MijnBelastingdienst worden doorgegeven zullen in beginsel de routing gaan volgen van een verzoek om ambtshalve vermindering, in de vorm van een aangepaste aangifte. Een onjuiste aanslag wordt door de inspecteur verminderd. Indien het verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen dan doet de inspecteur dat bij een voor bezwaar (en vervolgens beroep) vatbare beschikking zodat op een primaire afwijzing van de aanvulling altijd nog een bezwaarfase komt voordat naar de rechter moet worden gegaan.
Bron: MvF 20-04-2017