29 mei 2017. De nieuwe directeur-generaal bij de Belastingdienst, Jaap Uijlenbroek, zou in een interne brief aan de medewerkers van de dienst hebben aangegeven dat het horizontaal toezicht zoals we dat nu kennen op de schop moet.
In de brief die in handen is van platform voor onderzoeksjournalistiek Investico, FD en Trouw, schrijft Uijlenbroek dat het ‘horizontaal toezicht’, waarin de Belastingdienst de aangiften van vertrouwde bedrijven nauwelijks meer controleert, moet worden gemoderniseerd. ‘Nederland moet zich aansluiten bij internationale ontwikkelingen op dit gebied’. De brief lijkt een breuk met het beleid dat tot dusver door de politieke en ambtelijke leiding van de fiscus werd gehuldigd. Wiebes noemde bijvoorbeeld horizontaal toezicht een sterkte van ons belastingstelsel. Vanuit de medewerkers van de fiscus en ook daarbuiten is er echter al langer kritiek op hoe horizontaal toezicht wordt toegepast. Volgens de inspecteurs kan de fiscus nauwelijks meer toezicht houden, wordt teveel vertrouwd op het bedrijfsleven en is het systeem ‘naïef en onverantwoord’. Volgens critici is nu vaak onduidelijk wanneer een bedrijf het vertrouwen van de Belastingdienst verliest. De criteria hiervoor zijn onduidelijk. Uijlenbroek gaat in zijn brief ook in op de cultuur binnen de Belastingdienst. Volgens de directeur-generaal is er een kloof tussen het management en de werkvloer. Hij roept medewerkers op meer met elkaar in gesprek te gaan. Ook wil hij dat er beter onderzoek komt naar de vraag of de Belastingdienst effectief met zijn geld omgaat. En hij wil beter onderzoeken of bedrijven en particulieren zich aan de wet houden. Bron: Investico 27-05-2017
https://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.png00Burgers Accountants en Adviseurshttps://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.pngBurgers Accountants en Adviseurs2017-05-30 02:52:392017-05-30 02:52:39Horizontaal toezicht op de schop?
29 mei 2017. Op 7 maart 2017 stemde de Eerste Kamer in met het initiatiefwetsvoorstel Wet uiterste betaaltermijn van zestig dagen voor grote ondernemingen. De wet is onlangs gepubliceerd en zal in werking treden op 1 juli 2017.
Het wetsvoorstel is destijds ingediend door de Tweede Kamerleden Mulder (VVD) en Vos (PvdA). Het wetsvoorstel is een verdere uitwerking van de Europese richtlijn late betalingen (richtlijn 2011/7/EU) en maakt gebruik van de mogelijkheid die de Richtlijn biedt om op nationaal niveau de wet aan te scherpen. Deze mogelijkheid staat beschreven in artikel 12 lid 3 van de richtlijn. In een overeenkomst tussen een grote onderneming en een mkb-onderneming of zelfstandig ondernemer, waarbij de grote partij de rol van afnemer vervult en de kleine partij de rol van leverancier of dienstverlener, mag volgens het wetsvoorstel geen langere betaaltermijn dan 60 dagen worden overeengekomen. Overeenkomsten waarbij grote bedrijven alsnog besluiten betaaltermijnen langer dan 60 dagen af te sluiten, worden nietig verklaard, de betaaltermijn wordt in dat geval van rechtswege omgezet in een betaaltermijn van 30 dagen. Mocht de afnemer de factuur pas na 30 dagen betalen, dan is van rechtswege wettelijke handelsrente verschuldigd over de termijn die de 30 dagen overschrijdt. Bron: Eerste Kamer
https://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.png00Burgers Accountants en Adviseurshttps://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.pngBurgers Accountants en Adviseurs2017-05-30 02:52:382017-05-30 02:52:39Betaaltermijnen aan banden
24 mei 2017. Rechtbank Noord-Holland matigt de boeten van een belastingplichtige vanwege de slechte financiële situatie ook al heeft belastingplichtige onjuist en onvolledig aangifte gedaan en is er daardoor te weinig belasting geheven.
Een verhuurder van woningen, die tevens handelaar in tweedehands auto’s is, heeft voor de jaren 2007, 2008 en 2009 een aangifte IB ingediend. In de aangiften zijn geen inkomsten wegens verhuur van woningen en verkoop van auto’s opgenomen. Tijdens de jaren 2006 tot en met 2010 blijkt voor de verhuur van onroerend goed en voor verkoop van auto’s geen administratie te zijn bijgehouden. Daarom worden naar aanleiding van een boekenonderzoek navorderingsaanslagen IB met boetes (van in totaal zo’n € 145.000) opgelegd. Omdat de verhuurder geen administraties heeft bijgehouden en ook niet op een andere manier heeft aangetoond dat de opgelegde navorderingsaanslagen onjuist zijn, worden de navorderingsaanslagen gehandhaafd. De door de inspecteur gemaakte schattingen zijn redelijk. De door de verhuurder aangevoerde kosten voor zowel de verhuur als de verkoop van auto’s laat de rechtbank buiten beschouwing om deze niet zijn onderbouwd. De verhuurder heeft zijn ib-aangiften opzettelijk onjuist en onvolledig gedaan, waardoor de aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld en er te weinig belasting is geheven. De rechtbank vindt, evenals de inspecteur, dat de boetes, gezien de financiële situatie van de verhuurder, moeten worden gematigd tot nihil. Onder gegeven omstandigheden is dit passend en geboden. Bron: Rb. Noord-Holland 4-05-2017
https://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.png00Burgers Accountants en Adviseurshttps://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.pngBurgers Accountants en Adviseurs2017-05-25 02:59:282017-05-25 02:59:29Slechte financiële situatie: geen boete
24 mei 2017. De wet waarmee de precariobelasting op ondergrondse leidingen wordt afgeschaft, treedt op 1 juli aanstaande in werking. Dat blijkt uit een publicatie in het Staatsblad. Gemeenten krijgen vijf jaar de tijd om de maatregel door te voeren.
Door de wet moet er een einde komen aan heffingen op de ondergrondse infrastructuur van nutsbedrijven, die steeds meer gemeenten gebruikten als inkomstenbron. De totale opbrengst steeg van 66 miljoen euro in 2010 tot 195 miljoen in 2016. Voor burgers gaat het vaak om voor hen onzichtbare heffingen. Gemeenten die op 10 februari 2016 in hun belastingverordening een tarief hadden voor nutsnetwerken, mogen uiterlijk tot 1 januari 2022 nog precariobelasting op nutsnetwerken heffen. Onder de overgangsregeling kan een gemeente maximaal het tarief in rekening brengen dat op 10 februari 2016 gold. Bron: SCOnline 23-05-2017
https://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.png00Burgers Accountants en Adviseurshttps://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.pngBurgers Accountants en Adviseurs2017-05-25 02:59:272017-05-25 02:59:28Afschaffing precariobelasting
23 mei 2017. Een ambtelijke commissie heeft een rapport opgesteld met tien varianten voor de Wet DBA. De bewindslieden Asscher en Wiebes hebben het rapport op 22 mei naar de Kamer gestuurd. Hoe het verder gaat met de Wet DBA en welke varianten zullen worden gevolgd is aan het volgende kabinet.
Aanleiding voor het onderzoek van de ambtelijke commissie was het eindrapport van de commissie Boot. De ambtelijke commissie heeft naar aanleiding van de aanbevelingen van die commissie onderzocht hoe de criteria ‘vrije vervanging’ en ‘gezagsverhouding’ beter kunnen aansluiten bij het huidige maatschappelijk beeld van een arbeidsrelatie. Het resultaat is een lijvig rapport waarin tien varianten worden geschetst. Vier varianten kunnen snel worden toegevoegd, met als meest eenvoudige doorgaan en vanaf 2018 handhaven, voor zes andere is meer tijd nodig omdat ze een wetswijziging vergen. Hoe het verder gaat met de Wet DBA blijft ook na dit rapport onduidelijk. Het volgende kabinet zal hierover moeten beslissen. De ambtelijke commissie geeft aan dat geen van de door hen geschetste varianten alle problemen met de Wet DBA direct zal oplossen. Wel achten de opstellers van het rapport het van belang dat het handhavingsmoratorium zo snel mogelijk wordt beëindigd en er helderheid komt. Bron: Min SZW 22-05-2017
https://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.png00Burgers Accountants en Adviseurshttps://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.pngBurgers Accountants en Adviseurs2017-05-24 03:02:112017-05-24 03:02:12Wet DBA: wel varianten, geen duidelijkheid
Met ingang van 1 juli geldt het minimumloon voor volwassen voor werknemer vanaf 22 jaar. Ook worden de staffels voor jongeren van 18 tot en met 21 jaar iets verhoogd. Deze wijzigingen komen voor uit de wet Verlaging van de leeftijd waarop men recht heeft op het volwassenminimumloon en aanpassing van minimumloon bij stukloon en bij meerwerk (Stb 2017, 24). Het wettelijk minimumloon voor werknemers van 22 jaar en ouder bij een volledig dienstverband bedraagt per 1 januari 2017:
per maand: € 1.565,40; per week: € 361,25; per dag: € 72,25.
Bron: Min SZW 15-05-2017(Stcrt 2017, 28138)
https://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.png00Burgers Accountants en Adviseurshttps://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.pngBurgers Accountants en Adviseurs2017-05-24 03:02:112017-05-24 03:02:11Aanpassing wettelijk minimumloon per 1 juli 2017
Ex-bestuurder aansprakelijk voor loonheffingschuld bv
22 mei 2017. Is men bestuurder af, dan is het zaak dit ook zo snel mogelijk in het Handelsregister te laten registreren. Wacht men hier te lang mee, dan loopt men het risico aansprakelijk te worden gesteld voor de belastingschulden van de bv waar men voorheen bestuurder was.
Een man was tot 1 juli 2013 via een stichting middelijk bestuurder van een bv. Een uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel van 4 september 2013 vermeldt echter dat hij op die datum nog bestuurder is van de stichting. Een uittreksel van het Handelsregister van 20 november 2014 vermeldt dat hij met ingang van 1 juli 2013 uit functie is en dat op 29 oktober 2013 in het Handelsregister is geregistreerd dat met ingang van 1 juli 2013 een andere persoon bestuurder van de stichting is. De ontvanger stuurt op 18 september 2013 een beschikking aansprakelijkstelling voor onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffing (tijdvakken februari – juni 2013). De man gaat in bezwaar en stelt dat hij niet meer verantwoordelijk is voor de bv omdat deze per 30 juni 2013 is overgedragen aan een nieuwe eigenaar en dat er na 31 januari 2013 geen personeel meer werkzaam was bij de bv. Evenals voor de rechtbank is in hoger beroep in geschil of hij terecht aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen van de bv. Hof Amsterdam overweegt dat het aan de man is om aannemelijk te maken dat er per 1 februari 2013 geen inhoudingsplicht meer bestond en dat de aanvankelijk gedane loonaangiften onjuist waren, omdat de onderneming en/of het personeel van de bv per genoemde datum aan een andere bv is overgedragen. Het hof oordeelt dat de man niet geslaagd is in dit bewijs. Aangezien vaststaat dat de man volgens gegevens van Handelsregister op 4 september 2013 bestuurder was van de bv en dat die registratie op 29 oktober 2013 is gewijzigd, brengt een redelijke bewijslastverdeling mee dat de man bewijs levert van zijn stelling dat een ander hem per 1 juli 2013 als bestuurder is opgevolgd. De notulen van de buitengewone vergadering van aandeelhouders van de bv van 20 juni 2013 en het uittreksel van het Handelsregister van 20 november 2014 acht het hof daartoe onder de gegeven omstandigheden onvoldoende. Deze stukken verklaren niet waarom de man op 4 september 2013 nog als bestuurder van de stichting stond ingeschreven. Het hof beschouwt hem daarom als bestuurder van de bv toen de verschuldigde loonheffingen betaald hadden moeten worden, dan wel dat hij melding had moeten doen van betalingsonmacht. Het hof oordeelt dat er sprake was van betalingsonmacht en dat daarvan geen mededeling is gedaan. Bron: Hof Amsterdam 7-03-2017
https://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.png00Burgers Accountants en Adviseurshttps://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.pngBurgers Accountants en Adviseurs2017-05-23 02:38:042017-05-23 02:38:04Ex-bestuurder aansprakelijk voor loonheffingschuld bv
22 mei 2017. Aan de vooravond van de laatste onderhandelingsronde voor de cao Gehandicaptenzorg is er onenigheid ontstaan tussen de bonen FNV Zorg en Welzijn, FBZ en NU ’91 enerzijds en CNV Zorg & Welzijn. Tot dan trokken de bonden gezamenlijk op, maar voor de laatste onderhandelingsronde kwam CNV Zorg & Welzijn met een eigen inzet, waarop de andere bonden de onderhandelingen hebben verlaten.
CNV Zorg & Welzijn wil met haar inzet aansluiten bij de visie zoals die door alle sociale partners in 2015 is vastgelegd: volwassen arbeidsverhoudingen, zeggenschap voor de professional en ruimte voor maatwerkoplossingen. Volgens CNV Zorg & Welzijn is het niet te begrijpen dat de andere bonden nu niet aansluiten bij deze onlangs nog gezamenlijk ondertekende visie. De bond is diep teleurgesteld over het feit dat de overige bonden (FNV Zorg en Welzijn, FBZ en NU ’91) dit niet aan de onderhandelingstafel willen bespreken en het cao-overleg hebben gestaakt. Volgens de andere bonden heeft de CNV-bond met haar opstelling afstand genomen van de tot dan gevolgde lijn door enkel afspraken te willen maken over het loon en de terugbetaling van de onregelmatigheidstoeslag (ORT). De drie andere vakbonden willen echter op centraal niveau ook afspraken maken over werktijden, werkdruk en vergoedingen. NU’91, FBZ en de FNV hebben VGN laten weten te willen doorpraten, maar daar is de werkgeversorganisatie nog niet op ingegaan. Volgens VGN willen de drie bonden echter hun gezamenlijke voorstel niet bespreken in aanwezigheid van CNV Zorg en Welzijn. VGN meldt een voorkeur te hebben voor een cao met alle bonden en wil daarom niet ingaan op deze eis van de drie bonden. Op 23 mei staat een nieuw overleg gepland. Bron: CNV Connectief, 19 mei 2017; FNV, 19 mei 2017; VGN, 19 mei 2017
https://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.png00Burgers Accountants en Adviseurshttps://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.pngBurgers Accountants en Adviseurs2017-05-23 02:38:032017-05-23 02:38:04Gehandicaptenzorg: bonden in de clinch
19 mei 2017. De Inspectie SZW signaleert in haar op 17 mei gepubliceerde jaarrapport meer arbeidsongevallen en onderbetaling. Dit baart de Inspectie SZW grote zorgen. Vorig jaar kwamen 70 mensen door een arbeidsongeval om het leven. Ook komen inspecteurs en rechercheurs bij inspecties veel gevallen van onderbetaling tegen. Het gaat dan om werkuren die niet worden uitbetaald, uurtarieven die niet kloppen en het ten onrechte inhouden van vergoedingen op het salaris.
Het totaal aantal slachtoffers van arbeidsongevallen steeg in 2016 met 14% ten opzichte van het jaar daarvoor. De meeste slachtoffers vallen in de bouw, industrie, handel en afvalbeheer. Vorig jaar waren er 19 meer dodelijke slachtoffers dan het jaar daarvoor. Een ander fenomeen in het jaarverslag dat uitdrukkelijk naar voren komt, is de uitbuiting van werknemers. Systematische onderbetaling, te lange werkdagen en het ten onrechte laten betalen van vergoedingen worden stelselmatig door de Inspectie geconstateerd. Het handhavingpercentage bij controles hierop bedraagt 40%. Volgens de Inspectie worden door de betreffende bedrijven bewust de wettelijke regels overtreden. Daarnaast is er een categorie die actief de mazen van de wet opzoekt. Met constructies die mogelijk naar de letter van de wet standhouden, maar die vervolgens op allerlei onwenselijke manieren worden toegepast. Bron: Inspectie SZW, 17 mei 2017
https://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.png00Burgers Accountants en Adviseurshttps://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.pngBurgers Accountants en Adviseurs2017-05-20 02:37:152017-05-20 02:37:15Meer dodelijke ongevallen en onderbetaling
18 mei 2017. Een tandarts die geld leende aan zijn broer (ook ondernemer) kon volgens Hof Den Bosch de vorderingen – na het faillissement van het bedrijf van de broer – niet als verlies op inkomen uit werk en inkomen in mindering brengen. Niet was aangetoond dat hij overtollige liquide middelen uit zijn praktijk had uitgeleend.
Een tandarts die sinds 2004 een onderneming drijft in de vorm van een tandartspraktijk heeft aan zijn broer diverse leningen verstrekt. De broer heeft een belang van 75% in een visverwerkingsbedrijf (een bv) waarvoor hij de leningen heeft gebruikt. Eind 2009 bedragen de vorderingen van de tandarts op zijn broer € 500.619. In zijn aangiften IB/PVV heeft hij de vorderingen altijd aangegeven als bezittingen voor het inkomen uit sparen en beleggen (box 3). De bv van zijn broer is eind 2008 failliet gegaan. In geschil is of belanghebbende het bedrag van de vorderingen op zijn broer als verlies op het inkomen uit werk en woning over 2009 in mindering mag brengen. Hof Den Bosch oordeelt dat de tandarts niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in zijn tandartsenpraktijk aanwezige overtollige liquide middelen tijdelijk aan zijn broer heeft uitgeleend. De vorderingen op de broer behoren dientengevolge niet tot het ondernemingsvermogen van de tandartspraktijk. Het hof acht voorts aannemelijk dat de tandarts substantiële werkzaamheden voor de bv van zijn broer heeft verricht, doch niet aannemelijk dat deze werkzaamheden vanuit een onderneming tussen hem, zijn broer en diens bv zijn verricht. Ook in dit kader behoren de vorderingen volgens het hof derhalve niet tot het (verplichte) vermogen van de onderneming van de tandarts. Voorts oordeelt het hof dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn werkzaamheden voor die bv gericht waren op het behalen van voordelen die het bij normaal actief vermogensbeheer te verwachten rendement te boven gaan. Bron: Hof Den Bosch 17-03-2017 (publ. 10-5-2017)
https://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.png00Burgers Accountants en Adviseurshttps://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.pngBurgers Accountants en Adviseurs2017-05-19 02:58:452017-05-19 02:58:45Vorderingen op broer niet aftrekbaar
Onze website gebruikt cookies. Als u verder gaat op onze website, gaat u akkoord met het gebruik hiervan. OK
Privacy & Cookies
Privacy Overview
This website uses cookies to improve your experience while you navigate through the website. Out of these cookies, the cookies that are categorized as necessary are stored on your browser as they are as essential for the working of basic functionalities of the website. We also use third-party cookies that help us analyze and understand how you use this website. These cookies will be stored in your browser only with your consent. You also have the option to opt-out of these cookies. But opting out of some of these cookies may have an effect on your browsing experience.
Necessary cookies are absolutely essential for the website to function properly. This category only includes cookies that ensures basic functionalities and security features of the website. These cookies do not store any personal information.
Horizontaal toezicht op de schop?
Horizontaal toezicht op de schop?
In de brief die in handen is van platform voor onderzoeksjournalistiek Investico, FD en Trouw, schrijft Uijlenbroek dat het ‘horizontaal toezicht’, waarin de Belastingdienst de aangiften van vertrouwde bedrijven nauwelijks meer controleert, moet worden gemoderniseerd. ‘Nederland moet zich aansluiten bij internationale ontwikkelingen op dit gebied’. De brief lijkt een breuk met het beleid dat tot dusver door de politieke en ambtelijke leiding van de fiscus werd gehuldigd. Wiebes noemde bijvoorbeeld horizontaal toezicht een sterkte van ons belastingstelsel.
Vanuit de medewerkers van de fiscus en ook daarbuiten is er echter al langer kritiek op hoe horizontaal toezicht wordt toegepast. Volgens de inspecteurs kan de fiscus nauwelijks meer toezicht houden, wordt teveel vertrouwd op het bedrijfsleven en is het systeem ‘naïef en onverantwoord’. Volgens critici is nu vaak onduidelijk wanneer een bedrijf het vertrouwen van de Belastingdienst verliest. De criteria hiervoor zijn onduidelijk.
Uijlenbroek gaat in zijn brief ook in op de cultuur binnen de Belastingdienst. Volgens de directeur-generaal is er een kloof tussen het management en de werkvloer. Hij roept medewerkers op meer met elkaar in gesprek te gaan. Ook wil hij dat er beter onderzoek komt naar de vraag of de Belastingdienst effectief met zijn geld omgaat. En hij wil beter onderzoeken of bedrijven en particulieren zich aan de wet houden.
Bron: Investico 27-05-2017
Betaaltermijnen aan banden
Betaaltermijnen aan banden
Het wetsvoorstel is destijds ingediend door de Tweede Kamerleden Mulder (VVD) en Vos (PvdA). Het wetsvoorstel is een verdere uitwerking van de Europese richtlijn late betalingen (richtlijn 2011/7/EU) en maakt gebruik van de mogelijkheid die de Richtlijn biedt om op nationaal niveau de wet aan te scherpen. Deze mogelijkheid staat beschreven in artikel 12 lid 3 van de richtlijn.
In een overeenkomst tussen een grote onderneming en een mkb-onderneming of zelfstandig ondernemer, waarbij de grote partij de rol van afnemer vervult en de kleine partij de rol van leverancier of dienstverlener, mag volgens het wetsvoorstel geen langere betaaltermijn dan 60 dagen worden overeengekomen. Overeenkomsten waarbij grote bedrijven alsnog besluiten betaaltermijnen langer dan 60 dagen af te sluiten, worden nietig verklaard, de betaaltermijn wordt in dat geval van rechtswege omgezet in een betaaltermijn van 30 dagen. Mocht de afnemer de factuur pas na 30 dagen betalen, dan is van rechtswege wettelijke handelsrente verschuldigd over de termijn die de 30 dagen overschrijdt.
Bron: Eerste Kamer
Slechte financiële situatie: geen boete
Slechte financiële situatie: geen boete
Een verhuurder van woningen, die tevens handelaar in tweedehands auto’s is, heeft voor de jaren 2007, 2008 en 2009 een aangifte IB ingediend. In de aangiften zijn geen inkomsten wegens verhuur van woningen en verkoop van auto’s opgenomen. Tijdens de jaren 2006 tot en met 2010 blijkt voor de verhuur van onroerend goed en voor verkoop van auto’s geen administratie te zijn bijgehouden. Daarom worden naar aanleiding van een boekenonderzoek navorderingsaanslagen IB met boetes (van in totaal zo’n € 145.000) opgelegd.
Omdat de verhuurder geen administraties heeft bijgehouden en ook niet op een andere manier heeft aangetoond dat de opgelegde navorderingsaanslagen onjuist zijn, worden de navorderingsaanslagen gehandhaafd. De door de inspecteur gemaakte schattingen zijn redelijk. De door de verhuurder aangevoerde kosten voor zowel de verhuur als de verkoop van auto’s laat de rechtbank buiten beschouwing om deze niet zijn onderbouwd. De verhuurder heeft zijn ib-aangiften opzettelijk onjuist en onvolledig gedaan, waardoor de aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld en er te weinig belasting is geheven. De rechtbank vindt, evenals de inspecteur, dat de boetes, gezien de financiële situatie van de verhuurder, moeten worden gematigd tot nihil. Onder gegeven omstandigheden is dit passend en geboden.
Bron: Rb. Noord-Holland 4-05-2017
Afschaffing precariobelasting
Afschaffing precariobelasting
Door de wet moet er een einde komen aan heffingen op de ondergrondse infrastructuur van nutsbedrijven, die steeds meer gemeenten gebruikten als inkomstenbron. De totale opbrengst steeg van 66 miljoen euro in 2010 tot 195 miljoen in 2016. Voor burgers gaat het vaak om voor hen onzichtbare heffingen.
Gemeenten die op 10 februari 2016 in hun belastingverordening een tarief hadden voor nutsnetwerken, mogen uiterlijk tot 1 januari 2022 nog precariobelasting op nutsnetwerken heffen. Onder de overgangsregeling kan een gemeente maximaal het tarief in rekening brengen dat op 10 februari 2016 gold.
Bron: SCOnline 23-05-2017
Wet DBA: wel varianten, geen duidelijkheid
Wet DBA: wel varianten, geen duidelijkheid
Aanleiding voor het onderzoek van de ambtelijke commissie was het eindrapport van de commissie Boot. De ambtelijke commissie heeft naar aanleiding van de aanbevelingen van die commissie onderzocht hoe de criteria ‘vrije vervanging’ en ‘gezagsverhouding’ beter kunnen aansluiten bij het huidige maatschappelijk beeld van een arbeidsrelatie. Het resultaat is een lijvig rapport waarin tien varianten worden geschetst. Vier varianten kunnen snel worden toegevoegd, met als meest eenvoudige doorgaan en vanaf 2018 handhaven, voor zes andere is meer tijd nodig omdat ze een wetswijziging vergen.
Hoe het verder gaat met de Wet DBA blijft ook na dit rapport onduidelijk. Het volgende kabinet zal hierover moeten beslissen. De ambtelijke commissie geeft aan dat geen van de door hen geschetste varianten alle problemen met de Wet DBA direct zal oplossen. Wel achten de opstellers van het rapport het van belang dat het handhavingsmoratorium zo snel mogelijk wordt beëindigd en er helderheid komt.
Bron: Min SZW 22-05-2017
Aanpassing wettelijk minimumloon per 1 juli 2017
Met ingang van 1 juli geldt het minimumloon voor volwassen voor werknemer vanaf 22 jaar. Ook worden de staffels voor jongeren van 18 tot en met 21 jaar iets verhoogd. Deze wijzigingen komen voor uit de wet Verlaging van de leeftijd waarop men recht heeft op het volwassenminimumloon en aanpassing van minimumloon bij stukloon en bij meerwerk (Stb 2017, 24).
Het wettelijk minimumloon voor werknemers van 22 jaar en ouder bij een volledig dienstverband bedraagt per 1 januari 2017:
per maand: € 1.565,40;
per week: € 361,25;
per dag: € 72,25.
Bron: Min SZW 15-05-2017(Stcrt 2017, 28138)
Ex-bestuurder aansprakelijk voor loonheffingschuld bv
Ex-bestuurder aansprakelijk voor loonheffingschuld bv
Een man was tot 1 juli 2013 via een stichting middelijk bestuurder van een bv. Een uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel van 4 september 2013 vermeldt echter dat hij op die datum nog bestuurder is van de stichting. Een uittreksel van het Handelsregister van 20 november 2014 vermeldt dat hij met ingang van 1 juli 2013 uit functie is en dat op 29 oktober 2013 in het Handelsregister is geregistreerd dat met ingang van 1 juli 2013 een andere persoon bestuurder van de stichting is. De ontvanger stuurt op 18 september 2013 een beschikking aansprakelijkstelling voor onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffing (tijdvakken februari – juni 2013). De man gaat in bezwaar en stelt dat hij niet meer verantwoordelijk is voor de bv omdat deze per 30 juni 2013 is overgedragen aan een nieuwe eigenaar en dat er na 31 januari 2013 geen personeel meer werkzaam was bij de bv. Evenals voor de rechtbank is in hoger beroep in geschil of hij terecht aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen van de bv. Hof Amsterdam overweegt dat het aan de man is om aannemelijk te maken dat er per 1 februari 2013 geen inhoudingsplicht meer bestond en dat de aanvankelijk gedane loonaangiften onjuist waren, omdat de onderneming en/of het personeel van de bv per genoemde datum aan een andere bv is overgedragen. Het hof oordeelt dat de man niet geslaagd is in dit bewijs. Aangezien vaststaat dat de man volgens gegevens van Handelsregister op 4 september 2013 bestuurder was van de bv en dat die registratie op 29 oktober 2013 is gewijzigd, brengt een redelijke bewijslastverdeling mee dat de man bewijs levert van zijn stelling dat een ander hem per 1 juli 2013 als bestuurder is opgevolgd. De notulen van de buitengewone vergadering van aandeelhouders van de bv van 20 juni 2013 en het uittreksel van het Handelsregister van 20 november 2014 acht het hof daartoe onder de gegeven omstandigheden onvoldoende. Deze stukken verklaren niet waarom de man op 4 september 2013 nog als bestuurder van de stichting stond ingeschreven. Het hof beschouwt hem daarom als bestuurder van de bv toen de verschuldigde loonheffingen betaald hadden moeten worden, dan wel dat hij melding had moeten doen van betalingsonmacht. Het hof oordeelt dat er sprake was van betalingsonmacht en dat daarvan geen mededeling is gedaan.
Bron: Hof Amsterdam 7-03-2017
Gehandicaptenzorg: bonden in de clinch
Gehandicaptenzorg: bonden in de clinch
CNV Zorg & Welzijn wil met haar inzet aansluiten bij de visie zoals die door alle sociale partners in 2015 is vastgelegd: volwassen arbeidsverhoudingen, zeggenschap voor de professional en ruimte voor maatwerkoplossingen. Volgens CNV Zorg & Welzijn is het niet te begrijpen dat de andere bonden nu niet aansluiten bij deze onlangs nog gezamenlijk ondertekende visie. De bond is diep teleurgesteld over het feit dat de overige bonden (FNV Zorg en Welzijn, FBZ en NU ’91) dit niet aan de onderhandelingstafel willen bespreken en het cao-overleg hebben gestaakt.
Volgens de andere bonden heeft de CNV-bond met haar opstelling afstand genomen van de tot dan gevolgde lijn door enkel afspraken te willen maken over het loon en de terugbetaling van de onregelmatigheidstoeslag (ORT). De drie andere vakbonden willen echter op centraal niveau ook afspraken maken over werktijden, werkdruk en vergoedingen.
NU’91, FBZ en de FNV hebben VGN laten weten te willen doorpraten, maar daar is de werkgeversorganisatie nog niet op ingegaan. Volgens VGN willen de drie bonden echter hun gezamenlijke voorstel niet bespreken in aanwezigheid van CNV Zorg en Welzijn. VGN meldt een voorkeur te hebben voor een cao met alle bonden en wil daarom niet ingaan op deze eis van de drie bonden. Op 23 mei staat een nieuw overleg gepland.
Bron: CNV Connectief, 19 mei 2017; FNV, 19 mei 2017; VGN, 19 mei 2017
Meer dodelijke ongevallen en onderbetaling
Meer dodelijke ongevallen en onderbetaling
Het totaal aantal slachtoffers van arbeidsongevallen steeg in 2016 met 14% ten opzichte van het jaar daarvoor. De meeste slachtoffers vallen in de bouw, industrie, handel en afvalbeheer. Vorig jaar waren er 19 meer dodelijke slachtoffers dan het jaar daarvoor.
Een ander fenomeen in het jaarverslag dat uitdrukkelijk naar voren komt, is de uitbuiting van werknemers. Systematische onderbetaling, te lange werkdagen en het ten onrechte laten betalen van vergoedingen worden stelselmatig door de Inspectie geconstateerd. Het handhavingpercentage bij controles hierop bedraagt 40%. Volgens de Inspectie worden door de betreffende bedrijven bewust de wettelijke regels overtreden. Daarnaast is er een categorie die actief de mazen van de wet opzoekt. Met constructies die mogelijk naar de letter van de wet standhouden, maar die vervolgens op allerlei onwenselijke manieren worden toegepast.
Bron: Inspectie SZW, 17 mei 2017
Vorderingen op broer niet aftrekbaar
Vorderingen op broer niet aftrekbaar
Een tandarts die sinds 2004 een onderneming drijft in de vorm van een tandartspraktijk heeft aan zijn broer diverse leningen verstrekt. De broer heeft een belang van 75% in een visverwerkingsbedrijf (een bv) waarvoor hij de leningen heeft gebruikt. Eind 2009 bedragen de vorderingen van de tandarts op zijn broer € 500.619. In zijn aangiften IB/PVV heeft hij de vorderingen altijd aangegeven als bezittingen voor het inkomen uit sparen en beleggen (box 3). De bv van zijn broer is eind 2008 failliet gegaan. In geschil is of belanghebbende het bedrag van de vorderingen op zijn broer als verlies op het inkomen uit werk en woning over 2009 in mindering mag brengen.
Hof Den Bosch oordeelt dat de tandarts niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in zijn tandartsenpraktijk aanwezige overtollige liquide middelen tijdelijk aan zijn broer heeft uitgeleend. De vorderingen op de broer behoren dientengevolge niet tot het ondernemingsvermogen van de tandartspraktijk. Het hof acht voorts aannemelijk dat de tandarts substantiële werkzaamheden voor de bv van zijn broer heeft verricht, doch niet aannemelijk dat deze werkzaamheden vanuit een onderneming tussen hem, zijn broer en diens bv zijn verricht. Ook in dit kader behoren de vorderingen volgens het hof derhalve niet tot het (verplichte) vermogen van de onderneming van de tandarts. Voorts oordeelt het hof dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn werkzaamheden voor die bv gericht waren op het behalen van voordelen die het bij normaal actief vermogensbeheer te verwachten rendement te boven gaan.
Bron: Hof Den Bosch 17-03-2017 (publ. 10-5-2017)