De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen beantwoord over de btw-heffing over digitale popevenementen. Daarop is het hoge tarief van 21% van toepassing, terwijl op tickets het lage tarief van 9% van toepassing is. Elektronische diensten zijn uitgesloten van de toepassing van het verlaagde tarief. Alleen voor elektronische publicaties geldt daarop een uitzondering. Op grond van het EU-recht is het niet toegestaan om online culturele evenementen onder het verlaagde tarief te plaatsen. Volgens de staatssecretaris blijkt uit onderzoek dat verlaging van het btw-tarief of een verlaagd btw-tarief geen geschikt instrument is om bestedingen te sturen. Daarom wordt de culturele sector via subsidiëring ondersteund.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2021-0000023774 | 09-02-2021

De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat heeft een subsidieregeling voor de aanschaf van emissieloze bedrijfsauto’s gepubliceerd. Vanaf 15 maart 2021 is het mogelijk voor ondernemers en non-profitinstellingen om maximaal € 5.000 subsidie te krijgen bij de aanschaf van een nieuwe bedrijfsauto. De regeling ziet op bedrijfsauto’s met voertuigclassificatie N1 (totaal toelaatbare massa tot 3.500 kg) of N2 (3.500 tot 4.250 kg). De subsidie bedraagt 10% van de netto catalogusprijs resp. de verkoopprijs.

Voor de subsidie gelden de volgende voorwaarden:

  • op het moment van de subsidieaanvraag is de aanvrager nog geen onherroepelijke verplichtingen aangegaan en is de bedrijfsauto nog niet tenaamgesteld;
  • de overeenkomst is niet eerder gesloten dan op 1 januari 2021;
  • de netto catalogusprijs (N1) of de verkoopprijs (N2) bedraagt € 20.000 of meer;
  • de auto mag geen loodbatterijen gebruiken voor de aandrijving; en
  • de actieradius bedraagt minimaal 100 km.

De subsidieontvanger is verplicht om de bedrijfsauto waarvoor subsidie is verleend gedurende drie jaar op zijn naam gesteld te houden. De regeling vervalt met ingang van 15 maart 2026.

Bron: Overig | besluit | IENW/BSK-2021/27507, Stcrt. 2021, 6707 | 08-02-2021

Sinds de invoering van de Wet werk en zekerheid moet voor een ontslag om bedrijfseconomische redenen vooraf toestemming bij het UWV worden gevraagd. Als het UWV geen toestemming geeft, kan de werkgever binnen twee maanden bij de kantonrechter een verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst om bedrijfseconomische redenen indienen. Tijdens arbeidsongeschiktheid van de werknemer geldt een opzegverbod. Dat geldt echter niet als de arbeidsongeschiktheid is ontstaan nadat het UWV het verzoek om toestemming heeft ontvangen. Wanneer het UWV geen toestemming heeft verleend, kan een na het indienen van het verzoek ontstane arbeidsongeschiktheid wel leiden tot een opzegverbod als de werkgever vervolgens een ontslagverzoek indient bij de kantonrechter. Het opzegverbod geldt niet als de ziekte een aanvang heeft genomen nadat het verzoek om ontbinding door de kantonrechter is ontvangen.

In een procedure bij de kantonrechter na de afwijzing door het UWV van een verzoek om toestemming is duidelijk gemaakt dat deze procedure geen verlenging of herkansing is van de procedure bij het UWV. Het gaat om twee afzonderlijke procedures. De procedure bij de kantonrechter is ook geen hoger beroep tegen de beslissing van het UWV. De uitzondering op het opzegverbod bij ziekte die is ingetreden na de indiening van een verzoek om toestemming voor ontslag bij het UWV werkt niet door naar een daarop volgende procedure bij de kantonrechter.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBNNE2021385, 8899135 / AR VERZ 20-88 | 04-02-2021

In verband met de coronacrisis is op 10 augustus 2020 het Besluit tijdelijke verlaging kredietvergoeding in werking getreden. Door dit besluit is de maximale kredietvergoeding voor consumptief krediet tijdelijk verlaagd. Dat is geregeld door een verlaging van de toegestane opslag op de wettelijke rente van 12 naar 8 procentpunten. Uitgaande van de huidige wettelijke rente van 2% bedraagt de maximale kredietvergoeding 10% per jaar. De tijdelijke verlaging van de maximale kredietvergoeding zou eindigen op 1 maart 2021. Van de mogelijkheid om de tijdelijke verlaging bij Koninklijk Besluit met maximaal zes maanden te verlengen is gebruik gemaakt. Dat betekent dat de tijdelijke verlaging doorloopt tot 1 september 2021.

Bron: Ministerie van Financiën | besluit | 2021-0000022338, Staatsblad 2021, 75 | 16-02-2021

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de data van openstelling van de vaststellingsloketten voor de NOW gewijzigd. Daarnaast geldt voor alle regelingen (NOW-1, NOW-2 en NOW-3) dat de aanvraagtermijn is gelijkgetrokken voor aanvragen met en zonder accountantsverklaring. Voor NOW-2 en NOW-3 is de aanvraagtermijn 38 weken. Voor NOW-1 is de aanvraagtermijn zelfs langer door de verlate sluitingsdatum.

Openstelling vaststellingsloket NOW-1

De openstelling van het vaststellingsloket voor de NOW-1 is verlengd tot en met 31 oktober 2021. De sluitingsdatum was voor aanvragen met een accountantsverklaring 29 juni 2021. Voor alle andere aanvragen was de sluitingsdatum 23 maart 2021. De verlengde openstelling vindt plaats op verzoek van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants. Op verzoek van het UWV is de sluitingsdatum voor beide soorten aanvragen gelijkgetrokken.

Openstelling vaststellingsloket NOW-2

Het UWV heeft in verband met geplande technische werkzaamheden gevraagd om het vaststellingsloket NOW-2 eerder te openen. De minister heeft besloten de opening met een maand te vervroegen van 15 april naar 15 maart 2021. De oorspronkelijke sluitingsdatum van het loket voor werkgevers, die een accountantsverklaring bij hun aanvraag moeten voegen, gaat gelden voor alle werkgevers. Het vaststellingsloket is geopend tot en met 5 januari 2022.

Openstelling vaststellingsloket NOW-3

De langere openstelling van het loket voor de NOW-1 heeft gevolgen voor de openstelling van het vaststellingsloket van de NOW-3. De opening van het loket is uitgesteld van 1 september 2021 naar 4 oktober 2021 voor de derde tranche. Het loket is geopend tot en met 26 juni 2022. Het loket voor de vaststelling van de vierde en de vijfde tranche opent op 31 januari 2022 en sluit op 23 oktober 2022.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | besluit | 2021-0000036792 | 21-02-2021

Een arbeidsongeschikte werknemer is verplicht om mee te werken aan zijn re-integratie in het arbeidsproces. Als de werknemer dat niet doet, kan de werkgever door middel van een loonstop afdwingen dat de werknemer alsnog meewerkt aan zijn re-integratie.

De vraag in een procedure in kort geding was of een arbeidsongeschikte werknemer verplicht kan worden op van de gebruikelijke arbeidstijd afwijkende tijdstippen mee te werken aan re-integratie. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. De procedure betrof een werknemer die meerdere parttime banen had. De arbeidsongeschiktheid van de werknemer was van dien aard, dat de werkzaamheden van een van de banen niet konden worden verricht. Deze werkzaamheden vonden hoofdzakelijk in het weekend plaats. De werkgever wilde dat de werknemer op doordeweekse dagen beschikbaar was om te re-integreren. Op die dagen werkte de werknemer voor de andere werkgevers.

Volgens de kantonrechter heeft zich een vast arbeidspatroon ontwikkeld, dat vervolgens de overeengekomen arbeid is geworden. Daaraan doet niet af dat de oorspronkelijke overeenkomst de mogelijkheid bood om de werknemer ook op weekdagen op te roepen. In de praktijk gebeurde dat niet. De re-integratie moet volgens de kantonrechter in beginsel plaatsvinden op de momenten waarop de werknemer zijn werkzaamheden gewoonlijk uitvoert, dus in de weekenden. De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever ten onrechte een loonstop ten onrechte heeft toegepast.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBLIM2021819, 8891804 \ CV EXPL 20-6219 | 25-01-2021

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen over de omvang van de betalingskorting voor voorlopige aanslagen beantwoord. De betalingskorting geldt bij betaling ineens van een voorlopige aanslag die betrekking heeft op het jaar waarin de aanslag wordt opgelegd. Als alternatief kan gekozen worden voor betaling in termijnen. De betalingskorting is dit jaar zeer laag uitgevallen als gevolg van het verlagen van de invorderingsrente van 4 naar 0,01%. Deze verlaging is onderdeel van de fiscale coronamaatregelen. De hoogte van de betalingskorting is gekoppeld aan de invorderingsrente. Dat is geregeld in de Invorderingswet. De staatssecretaris erkent dat de communicatie over de betalingskorting beter had gekund.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2021-0000023839 | 09-02-2021

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een brief aan de Tweede Kamer een reactie gegeven op een arrest van de Hoge Raad over de kwalificatie van een arbeidsrelatie. Volgens dit arrest is de bedoeling van partijen niet van belang bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst. De procedure had betrekking op een uitkeringsgerechtigde, die met behoud van een uitkering op basis van een participatietraject onbezoldigd had gewerkt. De uitkeringsgerechtigde stelde hetzelfde werk als betaalde medewerkers te hebben verricht en vorderde de betaling van loon. Volgens de Hoge Raad is beslissend of de onderling overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van een arbeidsovereenkomst. Als dat het geval is, is per definitie sprake van een arbeidsovereenkomst. Bij de beantwoording van de vraag welke rechten en plichten partijen onderling zijn overeengekomen kan de bedoeling van partijen wel een rol spelen.

Volgens de minister is de webmodule ter beoordeling van arbeidsrelaties in lijn met het arrest van de Hoge Raad. Sinds medio 2015 beoordeelt de Belastingdienst modelovereenkomsten met betrekking tot de vraag of gewerkt wordt buiten dienstbetrekking. Zowel de teksten van de modelovereenkomsten als het beoordelingskader zullen moeten worden aangepast naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad. De passages over de wens om te contracteren op basis van een overeenkomst van opdracht of de wens om geen dienstbetrekking aan te gaan zullen niet langer als gemarkeerde bepaling in de modelteksten worden opgenomen.

Een van de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is het gezagscriterium. De Commissie Regulering van Werk heeft aanbevelingen tot modernisering van het gezagscriterium gedaan. De Hoge Raad heeft daaraan in dit arrest geen aandacht geschonken. Volgens de minister is het aan een nieuw kabinet om de modernisering van het gezagscriterium desgewenst ter hand te nemen. De minister is van mening dat het gewenst is nader te onderzoeken of en op welke wijze een rechtsvermoeden van werknemerschap behulpzaam kan zijn om met name kwetsbare werkenden te ondersteunen. Keerzijde van een dergelijk rechtsvermoeden is dat zelfstandigen mogelijk in rechte hun status als zelfstandige moeten opeisen. De vraag is of dat Europeesrechtelijk houdbaar is.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | publicatie | 2021-0000028131 | 09-02-2021

Wanneer aanvankelijk te weinig belasting is geheven kan de Belastingdienst dat corrigeren door het opleggen van een navorderingsaanslag. Om een navorderingsaanslag op te kunnen leggen moet de Belastingdienst beschikken over een nieuw feit. Dat is een feit dat ten tijde van het opleggen van de oorspronkelijke aanslag niet bekend was bij de Belastingdienst.

De Belastingdienst is in 2013 een onderzoek gestart naar de houdbaarheid van de ANBI-status van een stichting. Daaruit bleek dat in het jaar 2012 belastingplichtigen gezamenlijk voor meer dan € 3 miljoen aan giften aan de stichting in aftrek hadden gebracht, terwijl in de jaarstukken van de stichting minder dan € 600.000 aan ontvangen giften was verantwoord. De stichting heeft in 2012 meer kwitanties uitgeschreven dan zij in haar administratie verantwoordde. De jaarstukken van 2013 vermeldden een bedrag van € 88.564 aan ontvangen donaties, terwijl diverse belastingplichtigen in totaal € 3,4 miljoen aan giften aan de stichting hebben aangegeven. Op 6 januari 2014 is de ANBI-status van de stichting met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 ingetrokken. De FIOD is in 2015 een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de stichting en haar bestuurders in verband met het opmaken van valse giftkwitanties en donatieverklaringen. Particulieren kochten de kwitanties van de stichting voor 10 tot 15% van het op de kwitantie vermelde bedrag.

De uitkomst van het onderzoek van de FIOD was aanleiding voor het opleggen in 2017 van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting aan iemand die in 2012 een bedrag van € 3.000 aan giften aan de stichting in aftrek had gebracht. Bij de behandeling van de aangifte IB 2012 had de belanghebbende na vragen van de inspecteur door de stichting verstrekte kwitanties overhandigd. Daarna werd de giftenaftrek geaccepteerd. Volgens Hof Den Haag beschikte de Belastingdienst over het voor navordering vereiste nieuwe feit. Dat nieuwe feit was niet gelegen in het onderzoek van de Belastingdienst naar de ANBI-status van de stichting of de intrekking van die status, maar in de uitkomsten van het onderzoek van de FIOD. Pas daarmee werd de handel in valse kwitanties bekend.

Bron: Hof Den Haag | jurisprudentie | ECLINLGHDHA202110, BK-20/00361 | 04-01-2021

Uitvloeisel van het in 2019 gesloten pensioenakkoord is een subsidieregeling voor sectorale maatwerkafspraken rondom duurzame inzetbaarheid, langer doorwerken en eerder uittreden. Het pensioenakkoord bevat afspraken over duurzame inzetbaarheid. Die afspraken moeten eraan bijdragen dat ook mensen die zwaar werk doen hun pensioen gezond werkend kunnen bereiken.

De subsidieregeling heeft de naam tijdelijke maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden (MDIEU). Sociale partners in de diverse sectoren kunnen in een samenwerkingsverband subsidieaanvragen indienen met als doel het duurzaam inzetbaar houden van werkenden en het faciliteren van langer doorwerken, het wegnemen van knelpunten bij het realiseren van regelingen die vrijgesteld zijn van de extra belastingheffing voor regelingen voor vervroegd uittreden (RVU) en het introduceren van faciliteiten voor werkenden om inzicht te krijgen in de effecten op inkomen en pensioenuitkering bij het gebruik maken van diverse regelingen. De MDIEU loopt van 2021 tot en met 2025. Voor deze regeling is in totaal € 964 miljoen beschikbaar.

In de periode tot en met 2025 kunnen werkgevers gebruik maken van een tijdelijke beperking van de extra belastingheffing voor RVU. Deze pseudo-eindheffing van 52% geldt niet voor zover de uitkeringen niet uitkomen boven de drempelvrijstelling van de netto-AOW mits de uitkeringen niet meer dan drie jaar voor de AOW-leeftijd ingaan. Een werknemer kan zo tot drie jaar eerder een met de AOW vergelijkbare situatie bereiken.

Werkgevers kunnen met hun werknemers afspraken op maat maken over eerder uittreden. Sociale partners in sectoren kunnen ook afspraken maken voor specifieke groepen werknemers waarvan zij menen dat de zwaarte van het werk, in combinatie met de verhoging van de AOW-leeftijd van de afgelopen jaren, het moeilijk maakt om door te werken tot hun pensioen.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | besluit | 2020-0000172420 Staatscourant 2021, Nr. 2522 | 20-01-2021