Eindspurt loonafspraken 2018

Het cao-overleg in 2018 afgesloten met bovengemiddelde loonafspraken in de maand december. De nieuwe loonafspraken in december bedroegen 2,5%, iets lager dan recordmaand november (2,64%), maar nog altijd boven het jaargemiddelde van 2,34%.
In december zijn er 30 nieuwe cao’s tot stand gekomen. In heel 2018 liepen er 412 cao’s af, waarvan er 322 zijn vernieuwd. Voor 78% van de cao’s die vorig jaar waren verlopen is dus een nieuwe cao afgesloten. Dat is in lijn met voorgaande jaren. In de afgelopen tien jaar lag het gemiddelde afgesloten cao’s op 79%.
Bron: AWVN 17-01-2019

Brexit en btw: vraag tijdig btw-verlegging aan

Hoewel de precieze uitkomst nog niet bekend is nu het Brexitplan door het Britse Lagerhuis is afgewezen – een alternatiefplan of een harde Brexit per 29 maart 2019, toch nog uitstel? – is een goede voorbereiding voor ondernemers die regelmatig goederen importeren van het Verenigd Koninkrijk belangrijk. De Belastingdienst heeft ondernemers in een brief gewezen op de mogelijkheid een artikel 23-vergunning aan te vragen.
Indien ondernemers goederen invoeren uit een niet-EU-land moet telkens bij invoer bij de Douane, bij de aangifte ten invoer, btw worden betaald. In hun btw-aangifte kunnen ondernemers dan die betaalde btw als voorbelasting in aftrek brengen. Ondernemers die regelmatig goederen importeren uit een niet EU-land hebben echter de mogelijkheid een zogenoemde artikel 23-vergunning aan te vragen. Een ondernemer met een artikel 23-vergunning kan de btw over de geïmporteerde goederen aangeven bij zijn eigen btw-aangifte en tegelijkertijd deze btw ook als voorbelasting in de aangifte aftrekken.
De fiscus raadt aan om tijdig een artikel 23-vergunning aan te vragen. Bij aanvragen voor 1 februari 2019 zal de Belastingdienst voor 29 maart 2019 reageren. Om voor een artikel 23-vergunning in aanmerking te komen, gelden wel enkele voorwaarden: zo moet de ondernemer in Nederland wonen of daar zijn gevestigd, regelmatig goederen importeren uit niet-EU-landen en een aparte administratie bijhouden, waaruit eenvoudig blijkt hoeveel btw bij import moet worden betaald. Daarnaast is jaaraangifte voor de btw niet meer mogelijk en zal de ondernemer dus kwartaalaangiften moeten doen.
Let op: de brief van de Belastingdienst is verstuurd naar ondernemingen die volgens de fiscus voor een artikel 23-vergunning in aanmerking komen. Mogelijk zijn er dus meer ondernemers die een vergunning kunnen aanvragen.
De overheid komt nog met een uitgebreide voorlichtingscampagne over de aanstaande Brexit. De campagne zal gericht zijn op ondernemers in het mkb. Om te kijken wat de impact van de Brexit is kunnen ondernemers nu al online een Brexitscan (via www.brexitloket.nl) doen.
Bron: www.brexitloket.nl; div. media

Geen gelijktijdig gebruik van methodes voor btw-correctie

Bij de berekening van een btw-correctie vanwege gemengd gebruik mag de Belastingdienst kiezen tussen de methode waarbij de correctie wordt berekend op basis van werkelijk gebruik en de methode waarbij wordt uitgegaan van de omzetverhoudingen (pro rata-methode). De fiscus hoeft beide methodes niet gelijktijdig te gebruiken, zo oordeelde Rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Als een btw-ondernemer goederen of diensten afneemt voor prestaties die deels btw-belast zijn en deels btw-vrijgesteld, mag hij niet alle voorbelasting aftrekken maar moet hij de betaalde btw corrigeren voor gemengd gebruik. Een fiscale eenheid wilde bij de berekening van de correctie twee methodes gebruiken. Voor een deel van de kosten wilde de fiscale eenheid de correctie berekenen aan de hand van het werkelijke gebruik en voor een ander deel van de kosten wilde de fiscale eenheid de correctie berekenen aan de hand van de pro rata-methode. De inspecteur weigerde dit en paste bij de berekening van de correctie uitsluitend de pro rata-methode toe.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur juist had gehandeld. Het EU-recht biedt weliswaar de mogelijkheid om beide methodes gelijktijdig te gebruiken, maar de Nederlandse wetgever heeft deze mogelijkheid niet doorgevoerd in de wet. Hierdoor staat de Belastingdienst het niet toe om beide methodes gelijktijdig toe te passen en volgens de rechtbank is dit terecht. De Belastingdienst gebruikt in principe de pro rata-methode, tenzij dit niet overeenkomt met het werkelijke gebruik; in dat geval geldt het werkelijke gebruik als verdeelsleutel. Dit is volgens de rechtbank niet in strijd met het EU-recht.
Bron: Rb.Zeeland-West-Brabant 19-7-2018 (publ: 16-1-2019)

Arbeidsovereenkomst én cao van toepassing bij Deliveroo

In twee uitspraken heeft vakbond FNV een succes behaald bij Deliveroo: de rechtsverhouding tussen Deliveroo en haar bezorgers moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, én de werkzaamheden vallen onder de werkingssfeer van de cao Beroepsgoederenvervoer.
Sinds begin 2018 werkt Deliveroo niet meer met arbeidsovereenkomsten, maar gaat ze met haar maaltijdbezorgers overeenkomsten van opdracht aan. Vorig jaar spande FNV met een maaltijdbezorger hierover een zaak aan, maar de rechter stelde toen de maaltijdbezorger in het ongelijk: de arbeidsrelatie moest worden aangemerkt als een overeenkomst van opdracht. In tegenstelling tot die zaak treedt ditmaal de vakbond zelf op als de procederende partij. De vakbond vordert een verklaring voor recht dat de rechtsverhouding tussen Deliveroo en haar bezorgers, in afwijking van de partijafspraak, is aan te merken als een arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in art. 7:610 lid 1 BW. FNV stelt een zelfstandig belang te hebben bij de vordering en daartoe op grond van haar statuten gerechtigd te zijn. Deliveroo bestrijdt de vordering van de vakbond en stelt onder meer dat de vakbond niet-ontvankelijk moet worden verklaard, maar daar gaat de kantonrechter niet in mee.
Vervolgens gaat de rechter inhoudelijk in op de arbeidsverhouding bij Deliveroo. De kantonrechter overweegt dat of sprake is van een arbeidsovereenkomst wordt bepaald door alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij is niet zozeer doorslaggevend hoe partijen de overeenkomst noemen of kwalificeren, maar welke rechten en verplichtingen zij daarbij over en weer beoogd hebben en in hoeverre daaraan feitelijk uitvoering is gegeven. Naarmate er over een contract meer is onderhandeld, kan aan de schriftelijke vastlegging van die partijbedoeling meer waarde worden gehecht. Volgens de kantonrechter is er in het geval van Deliveroo en haar bezorgers sprake van een standaardcontract, dat eenzijdig door Deliveroo is opgesteld en niet onderhandelbaar is. In zo’n situatie kan voor de bedoeling van partijen aan de weergave in het schriftelijk contract geen doorslaggevende betekenis worden gehecht, zeker niet voor de bedoeling van de bezorger.
De kantonrechter gaat vervolgens de verschillende elementen van een arbeidsovereenkomst – gezagsverhouding, loon, persoonlijke arbeid – na om te beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter komt tot de slotsom dat de aard van het werk en de rechtsverhouding tussen partijen sinds begin 2018 niet zodanig wezenlijk zijn gewijzigd dat niet langer sprake is van het verrichten van arbeid op basis van een arbeidsovereenkomst.
Ook op een ander punt behaalt FNV een succes bij de kantonrechter. De vakbond heeft zich het afgelopen jaar telkens op het standpunt gesteld dat de werkzaamheden bij Deliveroo onder de werkingssfeer van de cao Beroepsgoederenvervoer vallen. De rechter is het met de FNV eens dat de bezorging van maaltijden door Deliveroo moet worden gekwalificeerd als vervoer van goederen over de weg en daarmee onder de cao van die sector valt. Deliveroo is daarmee verplicht de cao met terugwerkende kracht na te leven voor de perioden dat die cao algemeen verbindend is verklaard.
Bron: Kt. Amsterdam 15-01-201

HIR naar rato bij niet volledig dezelfde economische functie

Als een onderneming een gebouw verkoopt en uit de boekwinst een herinvesteringsreserve (HIR) wil vormen, mag dit slechts voor zover de voorgenomen investering betrekking heeft op een gebouw dat dezelfde economische functie vervult. Dit blijkt uit een uitspraak van de Hoge Raad.
In de betreffende zaak verkocht een bv een pand, nadat zij eerder al een nieuw kantoorpand had gekocht. Omdat het nieuwe pand funderingsgebreken bleek te hebben, wilde de bv investeren in een nieuwe plaatfundering en voor het betreffende bedrag een herinvesteringsreserve vormen uit de boekwinst op het oude pand. Omdat uit een offerte bleek dat de investering ruim € 100.000 zou zijn, wilde de bv een HIR vormen van € 100.000. De inspecteur wilde slechts een veel lagere dotatie toestaan. De belastingrechter stelde dat het nieuwe kantoorpand voor 75% dezelfde economische functie vervulde als het verkochte pand, waarna de Hoge Raad oordeelde dat de bv een herinvesteringsreserve mocht vormen voor 75% van het offertebedrag van de voorgenomen investering.
Bron: Hoge Raad, 11-01-2019

Overgangsrecht privégebruik auto van de zaak legitiem

Voor auto’s met een datum van eerste toelating in Nederland na 1 januari 2017 geldt het 22%-tarief. Voor oudere auto’s geldt het tarief van 25%. De Hoge Raad oordeelt dat de wetgever met het treffen van deze overgangsregeling niet een regeling heeft getroffen die van elke redelijke grond is ontbloot.
Een werkgever stelt mede voor privédoeleinden een auto van de zaak aan zijn werknemer ter beschikking. De auto heeft als datum van eerste toelating op de weg 21 augustus 2015. Over januari 2017 telt de werkgever 25% van de cataloguswaarde bij het loon van de werknemer en draagt daarover loonheffingen af. Op auto’s met een eerste toelatingsdatum vanaf 2017 is de bijtelling voor privégebruik 22%. Op de bijtelling voor privégebruik van 25% is een overgangsregeling van toepassing. Rechtbank Den Haag oordeelt dat niet kan worden gezegd dat de overgangsregeling elke redelijke grondslag ontbeert. Er is geen sprake van strijd met Europese verdrage. En ook maakt de werknemer niet aannemelijk dat hij wordt getroffen door een individuele buitensporige last. De werknemer stelt sprongcassatie in bij de Hoge Raad, maar ook volgens de Hoge Raad is overgangsregeling niet van elke redelijke grond ontbloot.
De Hoge Raad overweegt dat een wetswijziging niet als discriminatie kan worden aangemerkt. Anders zouden wetswijzigingen niet meer mogelijk zijn. Hetzelfde geldt voor toevoeging van overgangsrecht. Er is pas sprake van discriminatie als een redelijke en objectieve rechtvaardiging van de vastgestelde ongelijkheid ontbreekt. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de overgangsregeling volgt dat met de bepaling is beoogd

aan te sluiten bij de actuele ontwikkelingen van factoren over het privégebruik en de kosten van auto’s van de zaak van invloed op de benadering van de gemiddelde waarde van het voordeel voor privégebruik;
te verhinderen dat op privégebruik van een auto die vóór 2017 in het buitenland in gebruik is genomen de bijtelling van 22% van toepassing is en niet op auto die voor het eerst te naam is gesteld in het Nederlandse kentekenregister vóór 2017;
de complexiteit van de uitvoering van de regeling te beperken;
rechtszekerheid te bieden aan automobilisten die vóór 2017 een leasecontract hebben gesloten tegen een bijtellingstarief waarvan bij de keuze van de auto is uitgegaan.

Bron: HR 11-01-2019

Verlaging legestarieven IND

Per 1 januari 2019 zijn de legestarieven die de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) hanteert voor verblijfsvergunningen gewijzigd. Een aantal van deze tarieven is fors verlaagd. De reden voor deze vermindering zijn de directieven vanuit de Europese Commissie, die de Nederlandse legestarieven veel te hoog vond.
Het tarief voor de aanvraag voor een kennismigrant is gehalveerd en bedraagt nu € 285 in plaats van € 582. Ook de tarieven voor het aanvragen van het erkend referentschap voor grote en kleine bedrijven is verminderd. Voor 2019 bedragen deze € 3.927 (voorheen € 5.345), resp. € 1.963 (voorheen € 2.672).
Bron: IND

Vaststellingsovereenkomst kan schenking betekenen

Als een echtpaar een periodiek verrekenbeding niet heeft uitgevoerd en vervolgens onverplicht een vaststellingsovereenkomst afsluit, kan er in fiscale zin sprake zijn van een schenking als het op grond van het huwelijksvermogensrecht niet noodzakelijk is om tot verrekening over te gaan.
In deze zaak was een echtpaar in 1979 gehuwd op huwelijkse voorwaarden, die iedere vorm van een huwelijksgemeenschap uitsloten. Vele jaren later wees een belastingadviseur hen erop dat de vrouw bij een eventuele echtscheiding vrijwel geen bezittingen zou hebben. Daarom sloten de man en de vrouw een vaststellingsovereenkomst ‘verrekening verleden huwelijkse voorwaarden’. Op grond van deze overeenkomst moest de man € 10 miljoen betalen aan zijn vrouw.
Volgens de inspecteur was er sprake van een schenking, aangezien de huwelijkse voorwaarden iedere vorm van een huwelijksgemeenschap uitsloten, vrijwel het gehele vermogen door de man was ingebracht en er geen vermogen was dat voor verrekening in aanmerking kwam. De vaststellingsovereenkomst leidde ertoe dat de vrouw een vordering van € 10 miljoen kreeg op haar man. Door deze vermogensverschuiving was de man verarmd en de vrouw verrijkt. De vrouw voerde aan dat er sprake was van voldoening aan een natuurlijke verbintenis, aangezien zij altijd had meegewerkt in de onderneming van haar man en hiervoor nooit betaald had gekregen. Zij stelde dat haar echtgenoot zich zodoende gedwongen voelde om de genoemde betaling te doen. Maar volgens het hof was de arbeid die de vrouw had verricht gebruikelijk tussen echtgenoten onderling en was niet gebleken dat er sprake was van meer arbeid, aangezien de echtgenoot het altijd voor het zeggen had gehad binnen het concern. Ook was volgens het hof niet aannemelijk dat de werkzaamheden van de vrouw een beloning van € 10 miljoen waard waren. Het hof oordeelde dan ook dat er sprake was van een schenking.
Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden, 03-01-2019

Metaal en Techniek: kwantitatief werkingssfeercriterium

Werkzaamheden die in de MT-regelingen worden beschreven en ook werkzaamheden die daar aan dienstbaar zijn, vallen volgens de Hoge Raad onder de werkingssfeerbepalingen van de MT-regelingen.
In deze zaak is het de vraag of Unis thuishoort onder de werkingssfeer van de Metaal & Techniek. Unis meent dat haar grondige analyse en het testen (en dus niet de reparatie/het onderhoud zelf) de kernactiviteit vormt (vormde) van Unis en dat deze werkzaamheden voor de toepasselijkheid van de werkingssfeerbepalingen los moeten worden beschouwd van de feitelijke reparatiewerkzaamheden. Het hof gaf Unis hierin gelijk.
Anders dan het hof, oordeelt de Hoge Raad dat bij de toepassing van de werkingssfeerbepalingen van de MT-regelingen werkzaamheden die dienstbaar zijn aan de in die bepalingen genoemde werkzaamheden, aan laatstgenoemde werkzaamheden moeten worden toegerekend. Het oordeel van het hof dat de test- en analysewerkzaamheden die door Unis TS worden uitgevoerd – welke werkzaamheden als zodanig niet worden genoemd in de werkingssfeerbepalingen van de MT-regelingen –, niet moeten worden toegerekend aan de door Unis TS uitgevoerde onderhouds- en herstelwerkzaamheden – die wel in die bepalingen worden genoemd –, maar moeten worden gezien als daarvan losstaand, is een onjuiste rechtsopvatting. Vast staat immers dat de test- en analysewerkzaamheden door Unis TS worden uitgevoerd met het oog op uitsluitend de door Unis TS verrichte onderhouds- en herstelwerkzaamheden in de zin van de werkingssfeerbepalingen. Daarmee zijn die test- en analysewerkzaamheden naar hun aard dienstbaar aan de onderhouds- en herstelwerkzaamheden.
Willen laatstgenoemde werkzaamheden naar behoren kunnen worden uitgevoerd, dan zullen immers ook steeds eerstgenoemde werkzaamheden in enige omvang moeten plaatsvinden, teneinde te bezien wat voor onderhoud of herstel nodig is en te bezien of verricht onderhoud of herstel naar behoren heeft plaatsgevonden. Het onderhavige geval verschilt dan ook van het geval dat aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad inzake Adimec. Dit wordt niet anders door de vaststellingen van het hof dat de uitgebreide en specialistische kennis en ervaring die Unis TS heeft met betrekking tot genoemde test- en analysewerkzaamheden een ‘unique sellingpoint’ van haar is.
Bron: HR 21-12-2018

Beperking reikwijdte verklaring geen privégebruik terecht

De staatssecretaris is het eens met de uitspraak van Hof Amsterdam dat het toepassen van een correctie voor privégebruik vanwege een enkele privérit ter ondersteuning van bewijsvoering disproportioneel was.
Een monteur kreeg van zijn werkgever een bestelauto van de zaak waarvoor een ‘verklaring geen privégebruik’ was afgegeven. Voor een procedure in 2013 was de monteur met de bestelauto naar Hof Amsterdam gereden om aan te tonen dat de bestelauto naar ‘aard en inrichting’ uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt was voor vervoer van goederen. Voor alle andere ritten gebruikte de monteur de auto alleen zakelijk. Vanwege deze rit werd een bijtelling wegens privégebruik voor de bestelauto toegepast. Het hof vond dat een ritje naar het hof redelijkerwijs niet kan gelden als een rit waarvoor een bijtelling gold, gezien de reden waarom de monteur met de bestelauto naar het hof was gereden. De correctie vond het hof disproportioneel. De staatssecretaris heeft aangegeven het vanwege het evenredigheidsbeginsel eens te zijn met het hof. Een bijtelling van € 9.201 in een geval als dit is onevenredig in verhouding tot het doel van de controle op gebruikers van een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik.
Met de constatering van het hof dat de correctie vanwege privégebruik niet heeft plaatsgevonden in de actualiteit en in de inkomstenbelasting in plaats van in de loonheffing is de staatssecretaris het niet eens. Het privégebruik vond op 27 februari 2013 plaats terwijl de inspecteur dit pas per brief van 15 december 2015 ter discussie heeft gesteld. Volgens de staatssecretaris schrijft de wettelijke bepaling een dergelijk werken in de actualiteit niet voor en wordt in de wetsgeschiedenis alleen gesproken over het zoveel mogelijk in de actualiteit willen werken. Van moeten is volgens hem dan ook geen sprake.
Op basis van het evenredigheidsbeginsel trekt de staatssecretaris zijn ingestelde beroep in.
Bron: MvF 09-01-2019