Op Prinsjesdag zal meer duidelijkheid worden verschaft over de manier waarop letselschadevergoedingen buiten de vermogensrendementsheffing van box 3 kunnen worden gehouden. Dit blijkt uit een brief van staatssecretaris Snel van Financiën aan de Tweede Kamer.
De Tweede Kamer heeft op 15 november 2018 bij de behandeling van het pakket Belastingplan 2019 een motie aangenomen waarin de regering is verzocht om de volgende zaken in kaart te brengen:
Hoeveel mensen hebben een letselschadevergoeding ontvangen?
Wat is het financieel beslag als deze vergoedingen worden uitgezonderd van de vermogensrendementsheffing in box 3?
Op welke wijze kunnen de letselschadevergoedingen buiten de box 3-heffing worden gehouden en in welke mate is dit uitvoerbaar door de Belastingdienst?
De staatssecretaris heeft in zijn brief aangegeven dat het antwoord op de vraag op welke wijze de letselschadevergoedingen buiten de vermogensrendementsheffing kunnen worden gehouden, mogelijk samenhangt met de uitkomsten van het onderzoek naar opties om belastingplichtigen met vooral of uitsluitend spaargeld tegemoet te komen. Daarom wil de staatssecretaris de kabinetsreactie op de motie tegelijk met de resultaten van het genoemde onderzoek naar de Tweede Kamer sturen. Dit zal op Prinsjesdag 2019 gebeuren.
Bron: MvF 12-7-2019
Collectieve uitspraak massaal bezwaar box 3
De Belastingdienst heeft het besluit inzake de collectieve uitspraak in de procedure massaal bezwaar box 3 voor de jaren 2013 en 2014 in de Staatscourant geplaatst.
De Belastingdienst heeft in een besluit de bezwaarschriften in deze massaal bezwaarprocedure afgewezen naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2019 en laat de aanslagen IB in stand. In het arrest oordeelde de Hoge Raad weliswaar dat de heffing over box 3 in 2013 en 2014 in strijd is met art. 1 EP EVRM als sprake is van een buitensporig zware last, maar dat het voor de rechter niet mogelijk is om in te grijpen op stelselniveau. De aanslagen IB blijven daardoor in stand.
Het is niet mogelijk om in beroep te gaan tegen de collectieve uitspraak. Wel kunnen belastingplichtigen binnen een redelijke termijn een verzoek indienen om de collectieve uitspraak te vervangen door een individuele uitspraak. Daartegen kan de belastingplichtige wel in beroep, maar dat kan alleen tegen de genoemde rechtsvraag. De inhoud van de individuele uitspraak zal gelijk zijn aan de collectieve uitspraak.
Bron: MvF 19-07-2019
Nederlandse bedrijven blijven achter bij flexibele werktijden
Nederlandse bedrijven lopen, in vergelijking met bedrijven in omringende landen, achter bij het bieden van de mogelijkheid voor werknemers om zelf jun uren in te delen. Dat blijkt uit onderzoek van Protime en de SD Worx Group onder 502 beleidsmakers van bedrijven in België, Frankrijk, Duitsland, Verenigd Koninkrijk en Nederland. Daarentegen bieden Nederlandse bedrijven weer meer mogelijkheden bij andere vormen van flexibel werken.
Onder flexibel werken valt: telewerken, werken op afstand, flexibele tijdsindeling en co-working. Slechts 36% van de Nederlandse bedrijven biedt hun werknemers de mogelijkheid om zelf zijn uren in te delen. Na Nederland is het Verenigd Koninkrijk met 65% het minst flexibel in werktijden. In Frankrijk biedt 48% procent van de werkgevers de mogelijkheid van flexibele werktijden. In Duitsland biedt respectievelijk 80% van de bedrijven hun werknemers de mogelijkheid om de werktijden flexibel in te delen. Daarmee zijn onze buren koploper. Nederland voert wel de lijst aan als het gaat om telewerken en co-working.
Opvallend is dat 46% van de Nederlandse bedrijven gebruik maakt van co-working spaces. Terwijl dit in Duitsland (23%) en Frankrijk (25%) duidelijk minder populair is. Daarnaast laat 51% van de Nederlandse werkgevers telewerken toe. In het Verenigd Koninkrijk is dit met slechts 37% beduidend minder.
Bron: Managersonline.nl 18-07-2019
Omzet van bv afsnoepen is onbehoorlijk bestuur
Bestuurders van bv’s die betalingen van afnemers van die bv overmaken naar hun eigen privérekeningen, plegen daarmee onbehoorlijk bestuur. In zo’n situatie mag de ontvanger van de belastingen de bestuurder aansprakelijk stellen als de bv door dit onbehoorlijke bestuur haar fiscale verplichtingen niet kan voldoen.
De Belastingdienst stelt een bestuurder van een bv aansprakelijk voor schulden aan loonheffingen en omzetbelasting die de bv niet kan betalen. De bestuurder stapt uiteindelijk naar Hof Amsterdam. Om te beginnen stelt hij dat zijn bezwaar tegen de aansprakelijkstelling moet worden gehonoreerd, omdat de fiscus te laat op dit bewaar heeft gereageerd. Het hof stelt vast dat dit standpunt geen steun vindt in het recht.
Een ander punt van geschil is de aan- of afwezigheid van onbehoorlijk bestuur. De ontvanger bestrijdt dat de bestuurder een correcte melding van betalingsonmacht heeft gedaan. Als een bestuurder een betalingsonmacht bij de bv niet correct meldt, mag de fiscus in beginsel ervan uitgaan dat deze betalingsonmacht voortvloeit uit onbehoorlijk bestuur van de bestuurder. Tegenbewijs bieden is alleen toegestaan als de bestuurder geen blaam treft voor het achterwege blijven van de melding of als het om een ex-bestuurder gaat.
De ontvanger neemt echter geen risico en motiveert ook waarom sprake is van onbehoorlijk bestuur. De bestuurder heeft aanvankelijk de bedragen die de bv ontving van haar afnemers grotendeels (soms zelfs volledig) overgeboekt naar zijn privérekening. Naderhand heeft hij de bedragen die de bv factureerde rechtstreeks door de afnemers op zijn privérekening laten storten. Hij liet net genoeg geld in de bv achter om de lopende uitgaven te kunnen betalen. Dit ‘leeghalen’ van de bv is volgens de fiscus de directe oorzaak van de betalingsonmacht van de bv. Het hof ziet dat ook zo. Of de bv een correcte melding van betalingsonmacht heeft gedaan, is daarom hier niet van belang. De ontvanger heeft de bestuurder terecht aansprakelijk gesteld.
Bron: Hof Amsterdam 16-04-2019
Via vooroverleg zekerheid over waarde vastgoed
Belastingplichtigen die vóór het indienen van een belastingaangifte zekerheid willen krijgen over de waarde van vastgoed, kunnen sinds 15 juli 2019 gebruikmaken van een vooroverleg.
Om gebruik te kunnen maken van een vooroverleg moet een verzoek worden ingediend. In dit verzoek moet een duidelijke omschrijving van de casus worden opgenomen, met het verzoek om hierover een standpunt in te nemen. Ook moeten alle relevante feiten en omstandigheden worden opgenomen, evenals de waarde van het betreffende vastgoed en een onderbouwing van deze waarde. Hiervoor gelden strenge eisen. Een taxatierapport dat voldoet aan de eisen van het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs (NRVT) of de Autoriteit Financiële Markten (AFM) is sowieso een voldoende onderbouwing, maar een andere onderbouwing die aan vergelijkbare kwaliteitseisen voldoet, is ook toereikend. Meer informatie hierover staat in het standaardformulier vooroverleg en de checklist waardeonderzoek.
Bron: Belastingdienst 16-7-2019
Op Prinsjesdag meer duidelijkheid over letselschadevergoedingen
Op Prinsjesdag zal meer duidelijkheid worden verschaft over de manier waarop letselschadevergoedingen buiten de vermogensrendementsheffing van box 3 kunnen worden gehouden. Dit blijkt uit een brief van staatssecretaris Snel van Financiën aan de Tweede Kamer.
De Tweede Kamer heeft op 15 november 2018 bij de behandeling van het pakket Belastingplan 2019 een motie aangenomen waarin de regering is verzocht om de volgende zaken in kaart te brengen:
Hoeveel mensen hebben een letselschadevergoeding ontvangen?
Wat is het financieel beslag als deze vergoedingen worden uitgezonderd van de vermogensrendementsheffing in box 3?
Op welke wijze kunnen de letselschadevergoedingen buiten de box 3-heffing worden gehouden en in welke mate is dit uitvoerbaar door de Belastingdienst?
De staatssecretaris heeft in zijn brief aangegeven dat het antwoord op de vraag op welke wijze de letselschadevergoedingen buiten de vermogensrendementsheffing kunnen worden gehouden, mogelijk samenhangt met de uitkomsten van het onderzoek naar opties om belastingplichtigen met vooral of uitsluitend spaargeld tegemoet te komen. Daarom wil de staatssecretaris de kabinetsreactie op de motie tegelijk met de resultaten van het genoemde onderzoek naar de Tweede Kamer sturen. Dit zal op Prinsjesdag 2019 gebeuren.
Bron: MvF 12-7-2019
Toch laag btw-tarief voor parkeren bij attractiepark
Het bieden van parkeergelegenheid in de buurt van het attractiepark Toverland kan volgens Hof Den Bosch onder omstandigheden wel ondergeschikt zijn aan het parkbezoek. In zo’n situatie geldt het lage btw-tarief.
De Hoge Raad ziet het aanbieden van parkeergelegenheid bij een attractiepark, nationaal park of iets dergelijks in beginsel als een afzonderlijke dienst, waarvoor het normale tarief geldt. Alleen in uitzonderlijke situaties vormt het aanbieden van parkeerplaatsen een ondergeschikte dienst. In een recente zaak oordeelt Hof Den Bosch dat het bieden van parkeergelegenheid tegen betaling bij een attractiepark geen doel op zich is. De redenering van het hof is als volgt. In de desbetreffende zaak zijn de openingstijden van de parkeerplaats afgestemd op die van het park. Op alle toegangswegen langs het attractiepark Toverland geldt een parkeerverbod. De dichtstbijzijnde openbare parkeerplaats ligt zo’n twee kilometer van het park af. Wie het park met de auto bezoekt, moet dan ook de parkeerplaats van het park gebruiken. Verder speelt een rol dat in de buurt van het park er geen andere attracties of activiteiten zijn die het voor niet-bezoekers aantrekkelijk maakt om te parkeren op het parkeerterrein bij het attractiepark. Daarnaast komt ongeveer 80% van de parkbezoekers met de auto. Het plaatselijk openbaar vervoer kan namelijk geen grote aantallen bezoekers verwerken. Het hof ziet daarom parkeren in het desbetreffende geval als een middel om het parkbezoek te optimaliseren. Het aanbieden van parkeerplaatsen vormt hier een bijkomende prestatie. De vergoeding voor deze prestatie valt dan ook onder hetzelfde verlaagde btw-tarief als de hoofdprestatie.
Bron: Hof Den Bosch 25-04-2019
Geen gefaciliteerde afkoop door geringe overschrijding
Het is onder voorwaarden mogelijk bij arbeidsongeschiktheid een lijfrentepolis geheel of gedeeltelijk af te kopen zonder dat hierdoor revisierente verschuldigd wordt. De uitkering uit de polis mag dan een bepaald maximumbedrag niet overtreffen. Overschrijding van dit bedrag leidt tot revisierente, hoe gering die overschrijding ook is.
In 2015 koopt een man zijn lijfrenteverzekering af. Hij heeft een bedrag van € 40.829 ontvangen. De man is op het moment van ontvangst van de uitkering arbeidsongeschikt. Vanaf 2015 is het onder voorwaarden mogelijk een lijfrentepolis geheel of gedeeltelijke af te kopen bij arbeidsongeschiktheid. Een belangrijke voorwaarde is de hoogte van het in een jaar te ontvangen afkoopbedrag. Het wettelijk vastgestelde maximale bedrag in 2015 bedroeg € 40.000. De man ontvangt in 2015 € 40.829. In geschil bij Rechtbank Gelderland is of de Belastingdienst terecht € 8.165,94 aan revisierente in rekening heeft gebracht vanwege de geringe overschrijding van de maximale afkoopsom. De man verklaart voor de rechtbank zich niet bewust te zijn geweest dat bij een afkoop van € 40.000 in 2015 geen revisierente verschuldigd zou zijn en bij een afkoop van € 40.829 wel. De man hoopt op coulance van de rechter. De rechter kan echter niet anders dan de inspecteur gelijk geven. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag de wettelijke regeling voor revisierente correct toegepast met de juiste grondslag. Een overschrijding van de uitkering van € 829 leidt tot ruim € 8.000 aan revisierente. Ofschoon de rechtbank zich best kan voorstellen dat de man de regeling van revisierente als onredelijk beschouwt, moet zij toch het beroep ongegrond verklaren. De rechter moet oordelen volgens de wet en hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van een wet beoordelen.
Bron: Rb. Gelderland 19-06-2017
Nieuwe regeling voor sanering bedrijfsschulden
Een bedrijf dat door een zware schuldenlast failliet dreigt te gaan maar nog wel levensvatbare bedrijfsactiviteiten heeft, kan in de toekomst een onderhands akkoord sluiten met schuldeisers en aandeelhouders om schulden te saneren. Dat staat in een wetsvoorstel dat minister Dekker voor Rechtsbescherming heeft ingediend bij de Tweede Kamer.
De regeling in het wetsvoorstel is onderdeel van het Programma ‘Herijking Faillissementsrecht’. Het doel van de regeling is om bedrijven te faciliteren bij reorganisaties. Momenteel is er nog geen wettelijke regeling voor een dwangakkoord buiten faillissement. Hierdoor kan een onderhands akkoord om schulden te saneren alleen tot stand komen als alle schuldeisers en aandeelhouders hiermee instemmen. Liggen één of meer schuldeisers of aandeelhouders dwars, dan kan de onderneming alsnog failliet gaan, tenzij de andere schuldeisers en aandeelhouders bereid zijn om een onevenredig deel van de herstructureringslasten voor hun rekening te nemen.
Het genoemde wetsvoorstel moet de overlevingskansen van bedrijven met levensvatbare activiteiten te vergroten. Het minnelijke schuldsanerings- en herstructureringstraject wordt versterkt en als uiterste redmiddel kan een dwangakkoord worden ingezet.
Bron: MvJV, 9-7-2019
Nieuwe bewijsregels voor ontvangst boetebeschikking
Per 1 augustus 2019 gelden nieuwe bewijsregels voor de ontvangst van een boetebeschikking. Dit is het gevolg van een recente uitspraak van de Hoge Raad.
In deze zaak had een bv onder andere bezwaar gemaakt tegen de ontvangst van een boetebeschikking. Volgens de inspecteur was dit bezwaar niet-ontvankelijk vanwege een termijnoverschrijding. De Hoge Raad stelde vast dat in een arrest van de Hoge Raad uit 1988 werd geoordeeld dat de inspecteur een ingediend bezwaar tegen een boetebeschikking alleen niet-ontvankelijk kan verklaren als hij kan bewijzen dat wat de belastingplichtige beweert over de niet-ontvankelijkheid onjuist is. Maar omdat in de rechtspraak over bestuurlijke boetes een andere opvatting zichtbaar is geworden, oordeelt de Hoge Raad nu dat voor boetes de gewone bewijsregels moeten gaan gelden. Deze regels houden in dat wordt aangenomen dat een boetebeschikking die per post wordt verzonden, in de regel aankomen bij de geadresseerde. Als een belanghebbende de ontvangst van een poststuk betwist, moet hij het vermoeden van ontvangst ontzenuwen. Hierbij is het voldoende dat de ontvangst c.q. de aanbieding van de beschikking kan worden betwijfeld op grond van hetgeen dat de belanghebbende aanvoert. Wordt het vermoeden van ontvangst inderdaad ontzenuwt, dan moet de inspecteur bewijzen dat de boetebeschikking is ontvangen c.q. aangeboden.
Bron: Hoge Raad, 5-7-2019
Bijna helft zzp’ers heeft niets geregeld voor arbeidsongeschiktheid
41% van de zzp’ers heeft geen enkele voorziening getroffen voor het geval zij arbeidsongeschikt worden. Ook houden ze geen spaargeld of beleggingen achter de hand voor eventuele arbeidsongeschiktheid. Dit blijkt uit nieuwe cijfers uit de tweejaarlijkse Zelfstandigen Enquête Arbeid van TNO en het CBS die 4 juli 2019 zijn gepubliceerd.
In het recent afgesloten akkoord tussen kabinet, werknemers- en werkgeversorganisaties over de vernieuwing van het pensioenstelsel is afgesproken dat er voor zelfstandigen een wettelijke verzekeringsplicht tegen arbeidsongeschiktheid komt. Het kabinet heeft de sociale partners gevraagd om hiervoor begin 2020 een concreet voorstel te doen.
Zelfstandig ondernemers zonder personeel die geen arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben afgesloten, noemen daarvoor vooral financiële redenen: 46% geeft aan dat de kosten van zo’n verzekering niet opwegen tegen de baten, 37% zegt de kosten voor een verzekering niet te kunnen betalen. Ruim een vijfde van alle onverzekerden geeft aan het financiële risico zelf te kunnen dragen. Deze reden wordt vaker genoemd naarmate de ondervraagden dichter bij de AOW-gerechtigde leeftijd zijn. Daarnaast kan een vijfde terugvallen op het inkomen van de partner. Onder deze groep zijn relatief veel vrouwen. Een kleine groep zegt niet te worden geaccepteerd bij een verzekering vanwege leeftijd of gezondheid. 55-plussers noemen relatief vaak (14%) deze afwijzingsgrond.
Bijna 1 op de 5 zelfstandig ondernemers zonder personeel zegt niets te hebben geregeld voor het pensioen. De meest genoemde reden is dat ze het niet kunnen betalen; iets meer dan de helft geeft dat aan. Andere redenen zijn dat ze er nog niet aan toe zijn gekomen (31%) of dat het pensioen nog ver weg is (20 %).
Bron: CBS, 4-7-2019