Een onderzoek onder Nederlandse bedrijven naar de Handhavingsrichtlijn van de EU, toont aan dat vooraf registreren van uitgezonden werknemers en zakenreizigers in een ander EU-land tot grote administratieve chaos en hoge kosten leidt.
De Europese Commissie bracht op 18 juni aan het Europees Parlement verslag uit over de toepassing van de Handhavingsrichtlijn. Deze richtlijn verplicht uitgezonden werknemers, en in veel gevallen ook zakenreizigers, om zich voorafgaand aan hun tewerkstelling in de desbetreffende EU-lidstaat te registreren. De richtlijn is door iedere EU-lidstaat op eigen wijze in zijn nationale wetgeving ingevoerd. Een totaal gebrek aan uniformiteit is het resultaat. Voor internationale bedrijven leidt dit tot enorme administratieve lasten en hoge kosten. Het vrije verkeer van werknemers en de vrijheid om diensten in een andere EU-lidstaat te leveren, wordt als gevolg hiervan sterk belemmerd.
AWVN en KPMG Meijburg & Co Expatriate Services hebben op verzoek van een honderdtal Nederlandse ondernemingen een onderzoek naar de werking van de richtlijn uitgevoerd. Het rapport met daarin de resultaten en aanbevelingen is onlangs met de Europese Commissie gedeeld om de werking van de richtlijn te verbeteren. Omdat het een richtlijn betreft, vult elk EU-lidstaat de principes op zijn eigen manier in. In Nederland vond de invoering van de Handhavingsrichtlijn in juni 2016 plaats via de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemer in de Europese Unie (WagwEU).
Doordat ieder land de richtlijn op zijn eigen manier invult, zijn er 28 verschillende manieren van registratie. Sommige landen hebben nog helemaal geen elektronisch registratiesysteem, andere stellen vergaande eisen. Zo eist bijvoorbeeld Frankrijk dat er voor de uitzendende onderneming een lokale, Frans sprekende contactpersoon geregeld moet zijn. Niet alleen is er een registratieplicht, maar ook moeten bepaalde documenten – soms met vertaling – in het registratiesysteem worden geüpload. In bepaalde EU-landen moeten ook zakenreizigers zich registreren.
Met name voor zakenreizigers is het een probleem. Omdat zakenreizen meestal op korte termijn worden geboekt, is het de vraag hoe men er voor kan zorgen dat een reiziger zich vooraf registreert en tijdig documenten uploadt? Eén van de betrokken bedrijven heeft jaarlijks te maken met zo’n 28.000 zakenreizen. Omgerekend naar kosten zou dit bedrijf acht fulltime medewerkers moeten aannemen tegen € 240.000 om aan alle registraties te voldoen. Het ging daarbij alleen de zakenreizen per vliegtuig, reizen met de auto en trein zijn niet eens meegerekend.
Het rapport van AWVN en KPMG Meijburg & Co Expatriate Services bevat ook aanbevelingen voor de Europese Commissie. Een van de aanbevelingen is dat zakenreizigers zich niet hoeven te registeren. Daarbij is het van belang dat er een uniforme definitie van ‘zakenreis’ komt, anders moet dat per lidstaat geregeld worden met alle gevolgen van dien. Ook zou de eis om documenten up te uploaden, moeten vervallen. Andere belangrijke aanbevelingen betreffen het instellen van een centraal Europees registratiesysteem en het vervangen van de Handhavingsrichtlijn door een verordening. Een verordening heeft rechtstreekse werking waardoor er geen verschillen per lidstaat kunnen ontstaan. Uit het onderzoek blijkt duidelijk dat de invoering van de Handhavingsrichtlijn in haar huidige vorm tot buitenproportionele eisen leidt, waarvan de naleving door het bedrijfsleven totaal onwerkbaar is.
Bron: AWVN, 18-6-2019
Door dga ingediende nihilaangifte IB ongeloofwaardig
Doet een belastingplichtige geen aangifte en maakt hij ook geen bezwaar tegen een informatiebeschikking? Dan verklaart de rechter het beroep ongegrond, tenzij de belastingplichtige doet blijken dat de uitspraak op bezwaar onjuist is geweest.
In 2013 heeft een dga aandelen in diverse vennootschappen. De man heeft aan twee vennootschappen behoorlijke bedragen uitgeleend. Van een derde vennootschap heeft hij zelf geld geleend. Voor het jaar 2013 dient de dga een nihilaangifte in. De Belastingdienst wijkt bij het opleggen van de aanslag af van de aangifte. De inspecteur corrigeert de aangifte onder meer met een hoger gebruikelijk loon, resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen en inkomen uit aanmerkelijk belang. In geschil bij Rechtbank Noord-Holland zijn de aangebrachte correcties door de Belastingdienst. De rechtbank keert de bewijslast om. Er is een onherroepelijke informatiebeschikking en de dga heeft niet de vereiste aangifte ingediend. De dga motiveert een lager gebruikelijk loon met de stelling dat de vennootschappen structureel verlieslijdend zijn. De rechter vindt dat de dga dit niet heeft aangetoond. De resultaten waarnaar de dga verwijst zijn niet alle jaren negatief geweest. De dga haalt ook bakzeil met zijn stelling dat de geldleningen kwalificeren als informele kapitaalstortingen. Door de geldleningen in de aangifte inkomstenbelasting 2012 op te nemen en hierbij rentebaten in aanmerking te nemen, is het niet waarschijnlijk dat in 2013 de geldleningen geen geldleningen meer zijn. Zeker niet als de omstandigheden niet zijn veranderd. De rechtbank is voorts van oordeel dat de schatting door de inspecteur van het inkomen uit terbeschikkingstelling redelijk is. De dga heeft in ieder geval niet doen blijken dat dit inkomen te hoog is vastgesteld. De niet-betaalde rente door de dga vanwege de aan hem verstrekte lening, ziet de rechtbank als verkapte winstuitdeling en inkomen uit aanmerkelijk belang. De daarvoor gehanteerde rente van 4% is niet te hoog. Bovendien heeft de dga dit percentage ook gebruikt in zijn aangifte 2012.
Bron: Rb. Noord-Holland 2-7-2019
WKR: inspecteur moet ongebruikelijkheid aantonen
De Hoge Raad is van oordeel dat de inspecteur zijn standpunt dat aanwijzing van een beloning als eindheffingsbestanddeel ongebruikelijk is, met feiten en omstandigheden moet onderbouwen.
Een bv heeft volgens haar aandelenplan in 2012 en 2013 aan haar groepsraadsleden aandelen toegekend. De bv wenst deze toegekende aandelen aan te merken als eindheffingsbestanddelen onder de werkkostenregeling. Hof Amsterdam heeft op 25 januari 2018 de bv in het ongelijk gesteld.
Naar aanleiding van het cassatieberoep van belanghebbende zet de Hoge Raad eerst de werkkostenregeling van 2012 en 2013 uiteen, waarbij wordt vermeld dat voor de toepassing van de werkkostenregeling geen plaats is indien niet wordt voldaan aan de gebruikelijkheidstoets. Volgens de Hoge Raad brengt een redelijke bewijslastverdeling mee dat de inspecteur die het standpunt inneemt dat, gelet op de gebruikelijkheidstoets, de door een inhoudingsplichtige aangewezen vergoedingen of verstrekkingen niet als eindheffingsbestanddeel zijn aan te merken, de stelplicht en bewijslast heeft. Aan deze stelplicht kan niet worden voldaan door uitsluitend te verwijzen naar de door de Belastingdienst gehanteerde doelmatigheidstoets van € 2.400 per werknemer per jaar. Hoewel de wetsgeschiedenis van de werkkostenregeling nauwelijks aanknopingspunten biedt over de wijze waarop aan de stelplicht kan worden voldaan, ligt het voor de hand dat hierbij ook voor 2012 en 2013 onder andere als gezichtspunten in aanmerking kunnen komen, zoals is toegelicht voor de per 1 januari 2016 geldende gebruikelijkheidstoets, de gebruikelijkheid van de aanwijzing van een vergoeding of verstrekking als eindheffingsbestanddeel, vergelijkingen met de werkkostenregeling voor andere werknemers van dezelfde werkgever, en vergelijkingen met werkkostenregelingen voor collega’s van de werknemer in dezelfde functiecategorie bij dezelfde werkgever en voor werknemers bij andere werkgevers. Hieruit volgt dat, anders dan het hof heeft geoordeeld, de reikwijdte van de werkkostenregeling niet is beperkt tot vergoedingen en verstrekkingen die naar algemeen maatschappelijke opvattingen een zuiver zakelijk of een gemengd karakter hebben. De Hoge Raad verwijst de zaak voor een nieuwe behandeling van de vraag of aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan. Na verwijzing dienen partijen gelegenheid te krijgen hun stellingen aan te passen aan de hiervoor geformuleerde gezichtspunten voor de toepassing
Bron: HR 5-7-2019 (publ. 12-7-2019)
Beschikking tegemoetkomingen Wtl 2018 komt eraan
Voor 1 augustus stuurt de Belastingdienst aan werkgevers die recht hebben op één of meer tegemoetkomingen uit de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) een beschikking . In de beschikking staat het bedrag van de tegemoetkomingen, dat de belastingdienst binnen zes weken uitbetaalt. Het bedrag van de beschikking is gebaseerd op de definitieve berekening.
De beschikking kan afwijken van de voorlopige berekening die de werkgever eerder van het UWV kreeg. Dit kan het geval zijn indien de werkgever nog voor 1 mei zijn aangiften loonheffingen nog heeft gecorrigeerd.
Wijkt de beschikking af van wat de werkgever had verwacht – en heeft de werkgever zijn aangiften tot en met 1 mei niet meer gecorrigeerd – dan moet de werkgever eerst controleren of dit komt door afrondingsverschillen: hij moet de beschikking goed vergelijken met de verloonde uren uit zijn aangiften loonheffingen en niet met de uren uit zijn loonadministratie. In de aangiften loonheffingen worden de uren uit zijn loonadministratie namelijk afgerond op hele uren en dit is de basis voor de tegemoetkomingen Wtl. Is de werkgever het hierna nog steeds niet eens met de beschikking, dan kan hij bezwaar maken.
Komt de werkgever er achter dat er nog fouten zaten in de aangiften loonheffingen over 2018, dan is hij nog steeds verplicht de fout te herstellen door de aangifte te corrigeren. Deze correctie kan echter niet leiden tot een recht op een extra tegemoetkoming Wtl. Hiervoor worden alleen correcties tot en met 1 mei meegenomen in de definitieve berekening. Wel is het mogelijk dat de Belastingdienst een bedrag terugvordert, indien de werkgever (een deel van) de tegemoetkomingen Wtl onterecht heeft ontvangen.
Bron: Belastingdienst 10-07-2019
Niet-verplichte agiostorting op derdenrekening valt in box 3
Het overboeken van geld op de derdenrekening van een notaris leidt niet tot een vermogensoverdracht als geen afdwingbare verplichting tot die storting is aangegaan. Het gevolg is dat het overgeboekte bedrag nog steeds bij de overboeker in box 3 valt.
Een man richt op 31 december 2012 een bv op met een gestort aandelenkapitaal van € 100. Hij maakt diezelfde dag € 1,5 miljoen over van zijn privébankrekening naar een derdenrekening van de notaris onder de vermelding ‘Agiostorting’. De notaris stort dit bedrag op 21 januari 2013 op de rekening van de bv onder de vermelding ‘Agiostorting inzake oprichting’. Eind 2013 komt de man te overlijden. Tussen zijn erfgenamen en de fiscus ontstaat een geschil. De erfgenamen menen namelijk dat het overgeboekte bedrag van € 1,5 miljoen op de peildatum van 1 januari 2013 niet tot het box 3-vermogen van de man behoorde. Maar de Belastingdienst stelt dat dit bedrag het vermogen van de man niet op de peildatum heeft verlaten. Het geschil belandt uiteindelijk voor de Hoge Raad.
Grofweg gezegd mag een notaris alleen geld op een derdenrekening benutten in opdracht van een rechthebbende, zo redeneert de Hoge Raad. Daarnaast moet het vorderingsrecht dat voortvloeit uit die derdenrekening, toebehoren aan de gezamenlijke rechthebbenden. De Hoge Raad oordeelt dat de erflater ook na de overboeking de rechthebbende van de € 1,5 miljoen is gebleven. Daarbij speelt ook dat hij vóór 1 januari 2013 nog geen afdwingbare verplichting was aangegaan. Aangezien de man de rechthebbende is gebleven, heeft het bedrag zijn vermogen niet verlaten. Dat de notaris het bedrag enkele weken na de peildatum van de derdenrekening heeft overgeschreven naar een rekening van de bv, doet daar niets aan af. Het bedrag van € 1,5 miljoen op de derdenrekening behoorde bij de erflater tot zijn rendementsgrondslag in box 3.
Bron: HR 12-07-2019
Weinig cao’s afgesloten in juni
In juni werden slechts 14 nieuwe cao’s afgesloten. Dat is een laag aantal voor die maand. Meestal is juni een van de drukste maanden in het cao-seizoen en worden die maand 50 tot 60 cao’s afgesloten. Ook het totaal aantal in 2019 afgesloten cao’s loopt hierdoor achter op dat van andere jaren. De loonafspraken waren in juni met 3,04% wel op recordhoogte.
Volgens werkgeversvereniging AWVN is het lage aantal cao-akkoorden in juni te verklaren door een samenhang van factoren. Zo leidt volgens AWVN de actiegerichte houding van vakbonden tot langere onderhandelingen. Ook zijn de vakbondsonderhandelaars, vanwege de economische groei, vaak te optimistisch over de mogelijkheden binnen hun bedrijf of bedrijfstak. Daarnaast werpt volgens AWVN ook het pensioenakkoord zijn schaduwen vooruit. Onderhandelaars denken na over de betekenis en de gevolgen van het akkoord voor hun eigen cao-overleg.
De 14 juni-akkoorden hadden een gemiddelde loonafspraak van 3,04%. Dat is het hoogste maandgemiddelde sinds de financiële crisis van ruim tien jaar geleden en beduidend hoger dan het gemiddelde van 2,74% over de eerste vijf maanden van 2019. In 2018 bedroeg de gemiddelde loonafspraak 2,3%.
Dit jaar lopen in totaal 427 cao’s af voor 3,1 miljoen werknemers. Daarvan zijn in de eerste zes maanden 164 cao’s (38%) vernieuwd voor 844.000 werknemers. In voorgaande jaren bedroeg het aantal in het eerste half jaar vernieuwde cao’s doorgaans circa 43%. Vorig jaar zijn er circa 30 afgelopen cao’s niet vernieuwd. Mogelijk gebeurt dit alsnog, waardoor het aantal nieuwe cao’s in 2019 hoger uitkomen dan 427.
Bron: AWVN 12-07-2019
Geen aftrek voor terugbetaalde PGB
Terugbetaalde persoonsgebonden budget is aftrekbaar als het een uitgave is voor de door de belastingplichtige als zorgverlener verrichte werkzaamheden.
De moeder van een autistische en verstandelijk beperkte zoon heeft de verpleging en verzorging van haar zoon op zich genomen. De zoon heeft in 2013 persoonsgebonden budget (PGB) ontvangen van € 48.315. De vrouw heeft € 38.570 uit het PGB ontvangen. Zij heeft dit bedrag, verminderd met kosten, als resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven. In 2014 heeft de vrouw een bedrag aan het Zorgkantoor betaald dat de zoon ten onrechte als PGB heeft ontvangen. De vrouw heeft die terugbetaling ook als kosten in haar aangifte 2013 opgenomen. In geschil bij Hof Den Bosch is de aftrekbaarheid van het terugbetaalde bedrag aan PGB. Hof Den Bosch is van mening dat de terugbetaling PGB door de vrouw niet is aan te merken als een terugbetalingsverplichting van haar zelf. Daarom komt de terugbetaling niet op het inkomen van de moeder in mindering. Het hof laat dan nog de vraag onbeantwoord of de terugbetaling in 2014 wel aan 2013 kan worden toegerekend. De vrouw heeft bovendien niet inzichtelijk gemaakt welke posten tot welke bedragen door het Zorgkantoor niet zijn goedgekeurd en waarom deze niet zijn goedgekeurd. De vrouw toont daarmee volgens het hof ook niet aan dat zij met de terugbetaling van door haar zoon onterecht ontvangen PGB een uitgave heeft gedaan voor de door haar verrichte werkzaamheden als zorgverlener.
Bron: Hof Den Bosch 12-04-2019 (gepubl. 20-06-2019)
Meting besmette IoT-apparaten ter verhoging digitale veiligheid
Nederland gaat besmette IoT-apparaten meten. Het aantal met internet verbonden apparaten (Internet-of-Things) groeit razendsnel. Om ondernemers en consumenten optimaal hiervan te kunnen laten profiteren, is het essentieel dat deze producten veilig zijn en vertrouwd kunnen worden gebruikt. Fabrikanten van deze slimme apparaten en consumenten worden actief geïnformeerd over hoe dit op te schonen.
In de vorig jaar gepubliceerde Roadmap Digitaal Veilige Hard- en Software staan maatregelen zoals toezicht en certificering om de markt te bewegen om het veiligheidsniveau van het IoT te verhogen. Vooruitlopend op structurele Europese en internationale regels neemt Nederland deze maatregelen nu al.
Met financiële steun van het ministerie van EZK gaat de TU Delft tot en met 2021 metingen doen naar onveilige en al gehackte IoT-apparaten in Nederland. Bijvoorbeeld door netwerken van besmette apparaten in kaart te brengen, zogenoemde botnets.
Het Digital Trust Center (Min. EZK) gaat vervolgens in gesprek met fabrikanten over maatregelen om besmette apparaten veilig te maken. Door besmettingsinformatie over apparaten te delen met de vereniging Abuse Information Exchange, een Nederlands samenwerkingsverband van internetaanbieders, kunnen zij hun klanten informeren hoe zij besmettingen kunnen opschonen.
Onder meer dan 2.600 ondernemers en consumenten is onderzocht hoe zij omgaan met het Internet-of-Things. Eén op de vijf consumenten geeft aan (helemaal) niet te weten hoe apparaten die met het internet verbonden zijn, beveiligd moeten worden.
De meerderheid van de consumenten zegt wel te weten hoe ze een computer of mobiele telefoon moeten beveiligen. Voor andere slimme apparaten zoals speelgoed, lampen of koelkasten is dit nog minder dan de helft. Software updates worden in grote mate uitgevoerd, regelmatig wachtwoorden wijzigen doet een minderheid.
Ook ondernemers voeren in meerderheid actief en frequent software updates uit. Met uitzondering van de computer/mobiele telefoon wijzigen ook bedrijven in minder dan de helft van de gevallen frequent de wachtwoorden van andere slimme apparaten.
Mede op basis van de onderzoeksresultaten en de Roadmap Digitaal Veilige Hard- en Software eind wordt daarom eind dit jaar een overheidscampagne gestart om consumenten en ondernemers te informeren hoe zij hun digitale veiligheid kunnen verbeteren.
Bron: Min. EZK, 24-06-2019
Zonder mantelzorgcompliment geen recht op partnervrijstelling
Een man die tot diens overlijden in 2015 voor zijn zieke vader zorgde, had geen recht op de partnervrijstelling voor de erfbelasting omdat hij over 2014 geen mantelzorgcompliment (inmiddels afgeschaft) ontving.
Onder de huidige wetgeving kan een bloedverwant in de rechte lijn geen partner zijn in de zin van de partnervrijstelling voor de erfbelasting. In 2015 was dit echter nog wel mogelijk, mits de bloedverwant beschikte over een mantelzorgcompliment voor zorg die in 2014 aan de overledene was verleend. Maar een man die tot het overlijden van zijn vader voor hem had gezorgd en over 2014 geen mantelzorgcompliment had ontvangen, terwijl hij dit compliment voor de jaren 2011 tot en met 2013 wel had ontvangen, had volgens Hof Arnhem-Leeuwarden geen recht op de partnervrijstelling. Hierbij beriep het hof zich mede op de afschaffing van het mantelzorgcompliment en het ontbreken van enig overgangsrecht. Ook vond het hof dat de redelijkheid geen reden kon zijn om in deze zaak de partnervrijstelling toe te passen, omdat de rechter zich aan de wet moet houden en hierbij niet de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet moet beoordelen. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de zoon tegen de beslissing van het hof vervolgens niet-ontvankelijk.
Bron: Hoge Raad, 21-6-2019
Kabinet onderzoekt varianten van box 3-heffing
Het kabinet doet onderzoek naar mogelijke varianten van een vermogensrendementsheffing (in box 3) die belastingplichtigen met vooral of uitsluitend spaargeld tegemoet komen. Dit heeft staatssecretaris Snel van Financiën aangegeven in antwoord op Tweede Kamervragen over de box 3-heffing.
Bij de vermogensrendementsheffing wordt een fictief rendement op vermogen belast. Maar nu de spaarrente al vele jaren extreem laag is, staat de heffing niet in verhouding tot het werkelijke rendement dat wordt behaald door belastingplichtigen wiens vermogen voornamelijk uit spaargeld bestaat. Daarom doet het kabinet nu onderzoek naar varianten van de box 3-heffing om deze mensen tegemoet te komen. Voor elke variant zal in kaart worden gebracht in welke mate de belastingheffing aansluit bij de werkelijke spaarrente, hoe robuust de variant is tegen belastingontwijking, wat de gevolgen zijn voor de administratieve lasten voor burgers, wat de gevolgen zijn voor de uitvoering en wat de budgettaire gevolgen zijn.
Bron: MvF, 20-6-2019
Handhavingsrichtlijn EU leidt tot sterke belemmeringen
Een onderzoek onder Nederlandse bedrijven naar de Handhavingsrichtlijn van de EU, toont aan dat vooraf registreren van uitgezonden werknemers en zakenreizigers in een ander EU-land tot grote administratieve chaos en hoge kosten leidt.
De Europese Commissie bracht op 18 juni aan het Europees Parlement verslag uit over de toepassing van de Handhavingsrichtlijn. Deze richtlijn verplicht uitgezonden werknemers, en in veel gevallen ook zakenreizigers, om zich voorafgaand aan hun tewerkstelling in de desbetreffende EU-lidstaat te registreren. De richtlijn is door iedere EU-lidstaat op eigen wijze in zijn nationale wetgeving ingevoerd. Een totaal gebrek aan uniformiteit is het resultaat. Voor internationale bedrijven leidt dit tot enorme administratieve lasten en hoge kosten. Het vrije verkeer van werknemers en de vrijheid om diensten in een andere EU-lidstaat te leveren, wordt als gevolg hiervan sterk belemmerd.
AWVN en KPMG Meijburg & Co Expatriate Services hebben op verzoek van een honderdtal Nederlandse ondernemingen een onderzoek naar de werking van de richtlijn uitgevoerd. Het rapport met daarin de resultaten en aanbevelingen is onlangs met de Europese Commissie gedeeld om de werking van de richtlijn te verbeteren. Omdat het een richtlijn betreft, vult elk EU-lidstaat de principes op zijn eigen manier in. In Nederland vond de invoering van de Handhavingsrichtlijn in juni 2016 plaats via de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemer in de Europese Unie (WagwEU).
Doordat ieder land de richtlijn op zijn eigen manier invult, zijn er 28 verschillende manieren van registratie. Sommige landen hebben nog helemaal geen elektronisch registratiesysteem, andere stellen vergaande eisen. Zo eist bijvoorbeeld Frankrijk dat er voor de uitzendende onderneming een lokale, Frans sprekende contactpersoon geregeld moet zijn. Niet alleen is er een registratieplicht, maar ook moeten bepaalde documenten – soms met vertaling – in het registratiesysteem worden geüpload. In bepaalde EU-landen moeten ook zakenreizigers zich registreren.
Met name voor zakenreizigers is het een probleem. Omdat zakenreizen meestal op korte termijn worden geboekt, is het de vraag hoe men er voor kan zorgen dat een reiziger zich vooraf registreert en tijdig documenten uploadt? Eén van de betrokken bedrijven heeft jaarlijks te maken met zo’n 28.000 zakenreizen. Omgerekend naar kosten zou dit bedrijf acht fulltime medewerkers moeten aannemen tegen € 240.000 om aan alle registraties te voldoen. Het ging daarbij alleen de zakenreizen per vliegtuig, reizen met de auto en trein zijn niet eens meegerekend.
Het rapport van AWVN en KPMG Meijburg & Co Expatriate Services bevat ook aanbevelingen voor de Europese Commissie. Een van de aanbevelingen is dat zakenreizigers zich niet hoeven te registeren. Daarbij is het van belang dat er een uniforme definitie van ‘zakenreis’ komt, anders moet dat per lidstaat geregeld worden met alle gevolgen van dien. Ook zou de eis om documenten up te uploaden, moeten vervallen. Andere belangrijke aanbevelingen betreffen het instellen van een centraal Europees registratiesysteem en het vervangen van de Handhavingsrichtlijn door een verordening. Een verordening heeft rechtstreekse werking waardoor er geen verschillen per lidstaat kunnen ontstaan. Uit het onderzoek blijkt duidelijk dat de invoering van de Handhavingsrichtlijn in haar huidige vorm tot buitenproportionele eisen leidt, waarvan de naleving door het bedrijfsleven totaal onwerkbaar is.
Bron: AWVN, 18-6-2019