Een IT-engineer wordt op staande voet ontslagen door zijn werkgever, een internationaal cloudsoftwarebedrijf. De werknemer stapt naar de rechter, omdat hij wil dat zijn ontslag op staande voet wordt vernietigd. Het ontslag is gebaseerd op een samengestelde dringende reden. De kantonrechter stelt drie hoofdredenen vast. Elke reden is afzonderlijk al voldoende om het ontslag te rechtvaardigen.
Werkweigering en schending van werkafspraken
De werknemer weigert redelijke instructies van de werkgever op te volgen. Hij voert geen één-op-één overleggen via videocalls of op kantoor. Ook weigert hij het verplichte hybride werken. Ondanks meerdere officiële waarschuwingen blijft hij volledig remote werken en verschijnt hij niet op kantoor. Dit is een duidelijke schending van de gezagsverhoudingen.
Escalerend en intimiderend gedrag
De kantonrechter wijst op een patroon van onprofessionele communicatie. De werknemer verstuurt een stroom intimiderende e-mails met dreigementen naar honderden collega’s, inclusief directie en juridische afdelingen. Hij stelt ongepaste eisen, zoals het onmiddellijke ontslag van collega’s. Dit gedrag veroorzaakt onrust in de organisatie en is disruptief en schadelijk.
Ernstig IT-misbruik
Het zwaarste element is het IT-misbruik. Uit intern onderzoek blijkt dat de werknemer zonder legitieme reden toegang heeft verkregen tot vertrouwelijke gegevens van collega’s. Hij slaat bedrijfsinformatie onrechtmatig buiten de systemen van de werkgever op. Daarnaast gebruikt hij Russische VPN-adressen en ongeautoriseerde hackingtools en verwijdert hij beveiligingssoftware. Hij creëert hiermee risico’s voor de cyberveiligheid van zijn werkgever en haar klanten. Op zijn werklaptop staan tienduizenden persoonlijke foto’s, waaronder duizenden expliciete beelden. Dit is in strijd met bedrijfsregels en professioneel gedrag.
Conclusie
Deze drie redenen samen tonen volgens de kantonrechter dat de werknemer het vertrouwen van de werkgever ernstig heeft geschaad. Gezien de aard van het werk en de risico’s voor de werkgever als internationaal cloudsoftwarebedrijf, kan van de werkgever niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te zetten. De kantonrechter beoordeelt het ontslag op staande voet daarom als proportioneel en gerechtvaardigd.
https://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2026/01/400a2a60-b137-44cf-bb3b-b7d1a0de21a9.jpg533800Burgers Accountants en Adviseurshttps://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.pngBurgers Accountants en Adviseurs2026-01-15 04:00:000000-00-00 00:00:00Ontslag terecht door expliciete foto’s op werklaptop
Een man verzoekt bij de rechter om schorsing van de tenuitvoerlegging van een eerder vonnis. Volgens de man is niet voldaan aan bepaalde wettelijke vereisten, zoals het opstellen van een notariële huurkoopakte. De rechtbank wijst dit verzoek af en veroordeelt de man tot vergoeding van de volledige proceskosten wegens misbruik van procesrecht. De man brengt herhaaldelijk dezelfde inhoudelijke argumenten naar voren die al in eerdere procedures definitief zijn afgewezen. Daarnaast baseert hij zijn vorderingen op feiten waarvan hij wist, of had moeten weten, dat deze juridisch onjuist zijn.
De rechter weegt mee dat de man zijn processtukken naar eigen zeggen heeft opgesteld met behulp van een AI-instrument. Het zonder meer gebruiken van ondermaatse, door AI geproduceerde processtukken draagt volgens de rechter bij aan het misbruik van procesrecht. Die processtukken bevatten verschillende onbegrijpelijke verwijzingen naar wetsartikelen en juridische onjuistheden. De rechter rekent het de man aan dat hij de door AI geproduceerde stukken niet goed naleest en de juridische relevantie en juistheid ervan niet laat controleren door bijvoorbeeld een raadsman.
https://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2026/01/64ee934e-2faa-4e81-83a1-78f60d08b27a.jpg403800Burgers Accountants en Adviseurshttps://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.pngBurgers Accountants en Adviseurs2026-01-15 04:00:000000-00-00 00:00:00Misbruik van procesrecht door ondermaatse, door AI geproduceerde processtukken
Als er aangifte schenkbelasting is gedaan, vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een eerste aanslag schenkbelasting drie jaar na het ontstaan van de belastingschuld (de schenking). Deze termijn wordt verlengd met eventueel verleend uitstel voor het doen van aangifte. Als er geen aangifte is gedaan, vervalt de bevoegdheid drie jaar na het overlijden van de schenker of de begiftigde. Het cruciale woord ‘of’ zorgt voor discussie. Begint de verjaring bij het eerste overlijden of pas als beide partijen zijn overleden?
Schenking zonder aangifte
Een echtgenoot schenkt in 2006 € 4 miljoen aan zijn vrouw. Hij overlijdt in 2007, maar van de schenking wordt geen aangifte gedaan. Pas in 2019 meldt de vrouw via een inkeerregeling het eerder niet aangegeven vermogen. De Belastingdienst legt in 2021 een aanslag schenkbelasting op van ruim € 1 miljoen. De vrouw stelt dat de verjaringstermijn al in 2010 is verlopen, drie jaar na het overlijden van haar man. De Belastingdienst houdt vol dat verjaring pas begint als beide partijen, dus zowel de man als de vrouw, zijn overleden.
Verjaring bij eerste overlijden
Het hof verwerpt het standpunt van de Belastingdienst. Het woord ‘of’ betekent een keuze tussen twee mogelijkheden die elkaar uitsluiten. De verjaringstermijn begint bij het eerste overlijden van schenker of begiftigde. De Belastingdienst beweerde dat de wetgever bedoelde dat verjaring pas start als beide partijen zijn overleden. Het hof vindt hiervoor geen steun in de wet. De wetgever had eenvoudig een andere formulering kunnen kiezen als het de bedoeling was dat de termijn pas na beide overlijdens zou starten.
Let op! Deze uitspraak geldt specifiek voor schenkbelasting bij geen aangifte. Voor erfbelasting en andere situaties (zoals navordering) kunnen andere regels gelden.
https://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2026/01/11099ab5-5965-4f9d-a049-59eec099df8b.jpg533800Burgers Accountants en Adviseurshttps://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.pngBurgers Accountants en Adviseurs2026-01-15 04:00:000000-00-00 00:00:00Beperkte tijd voor aanslag als een schenking niet is aangegeven
In Nederland geldt sinds 1 januari 2026 een verbod op contante betalingen voor goederen vanaf € 3.000. Het verbod geldt voor exploitanten van pandhuizen, kunsthandelaren en alle handelaren in goederen, zoals autohandelaren, juweliers, elektronicawinkels, meubelzaken, etc. Voor kunsthandelaren en handelaren in waardevolle goederen (zoals horloges of auto’s) blijven aanvullende verplichtingen gelden. Voor betalingen via de bank (pinnen, overmaken) van € 10.000 of meer, blijven de huidige Wwft-regels gelden. Cliëntenonderzoek is dus nog steeds nodig bij betalingen via de bank van € 10.000 of meer. En eventuele ongebruikelijke transacties moeten nog steeds worden gemeld bij FIU-Nederland.
Het verbod geldt voor alle contante betalingen die (deels) in of vanuit Nederland gebeuren. Dit betekent dat het verbod geldt voor:
in Nederland geregistreerde handelaren die in Nederland aan- of verkopen;
in Nederland geregistreerde handelaren die vanuit Nederland goederen aanbieden, ook als de betaling over de grens plaatsvindt;
in het buitenland geregistreerde handelaren die in Nederland de betaling doen.
Particulieren die onderling handelen (bijvoorbeeld via Marktplaats) vallen niet onder het verbod. Ook voor dienstverleners, zoals kappers en reisbureaus, geldt het verbod niet. Vanaf 10 juli 2027 gaat voor dienstverleners een limiet voor contante betalingen gelden op basis van Europese regelgeving.
Bron:Ministerie van Justitie en Veiligheid | wetswijziging | stb-2025-262 | 31-12-2025
https://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2026/01/37655a9c-ecb3-406e-8771-5d0c75aaaa7e.jpg533800Burgers Accountants en Adviseurshttps://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.pngBurgers Accountants en Adviseurs2026-01-08 04:00:000000-00-00 00:00:00Verbod op contante betaling boven € 3.000
Belastingrente is de vergoeding die de Belastingdienst in rekening brengt als zij een belastingaanslag niet op tijd hebben kunnen vaststellen. Bijvoorbeeld omdat er te laat of onjuist aangifte werd gedaan. Onlangs heeft het hof Den Haag zich gebogen over een zaak waarin de hoogte van de belastingrente centraal stond.
Te late aangifte
In 2021 ontvangt een man een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting. Voor zijn aangifte vraagt hij meermaals uitstel aan. Sommige verzoeken worden toegekend, andere afgewezen. Uiteindelijk stuurt de inspecteur een herinnering en een aanmaning tot het doen van aangifte. De man dient zijn aangifte voor 2021 pas in februari 2023 in. Hierop legt de inspecteur een definitieve aanslag op, inclusief een verzuimboete en belastingrente.
Bezwaar belastingrente
De man maakt bezwaar tegen de opgelegde belastingrente. Hij stelt dat de belastingrente ten onrechte is berekend. Zijn argument is dat hij de inspecteur in eerdere jaren, namelijk 2017 en 2018, heeft verzocht de voorlopige teruggaaf stop te zetten. Volgens de man had de inspecteur deze stopzetting ook in de daaropvolgende jaren moeten voortzetten. Daarnaast betoogt de man dat het gehanteerde rentepercentage van 4% niet in verhouding staat tot de rentepercentages die gelden in box 3.
Stopzetting van de voorlopige teruggave?
Het hof stelt dat de inspecteur de belastingrente terecht en in overeenstemming met de wettelijke bepalingen in rekening heeft gebracht. Het feit dat de man in eerdere jaren heeft verzocht om stopzetting van de voorlopige teruggave, verandert niets aan de situatie voor 2021. De man heeft voor dat jaar immers geen specifiek verzoek tot wijziging of stopzetting ingediend. Het is de verantwoordelijkheid van de man om de voorlopige aanslag te controleren en indien nodig aan te passen.
Rente te hoog?
Ook het argument van de man over het rentepercentage wordt door het hof verworpen. Het hof benadrukt dat het percentage is vastgesteld op grond van de wet en het daarop gebaseerde besluit. De wetgever heeft een ruime beoordelingsmarge en het minimum van 4% is niet dusdanig hoog dat de wetgever buiten deze marge is getreden. Bovendien geldt dit minimumpercentage ook wanneer de Belastingdienst belastingrente moet vergoeden.
Bron:Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2025:2587 | 29-09-2025
https://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2026/01/b8909d79-3674-4cc4-b4ce-1d206ae7425c.jpg450800Burgers Accountants en Adviseurshttps://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.pngBurgers Accountants en Adviseurs2026-01-08 04:00:000000-00-00 00:00:00Belastingrente van 4% niet te hoog
Een ondernemer in het Verenigd Koninkrijk verkoopt trapliften die een gelieerde Nederlandse leverancier produceert. Jarenlang past de leverancier ten onrechte het btw-nultarief toe op deze leveringen. De ondernemer ontdekt de fout in 2020 en neemt contact op met de inspecteur om de situatie te corrigeren.
Correctie en verjaring
De ondernemer dient een suppletie in voor het jaar 2016. Na verdere correspondentie geeft de ondernemer eind 2022 het definitieve correctiebedrag door. De inspecteur legt vervolgens naheffingsaanslagen op aan de leverancier voor de jaren 2017 tot en met 2020. Voor het jaar 2016 is naheffing echter niet meer mogelijk, omdat de naheffingstermijn is verjaard.
Factuur en teruggaafverzoek
De leverancier stuurt de ondernemer in januari 2023 een factuur voor de btw-bedragen, inclusief het bedrag voor 2016. De ondernemer betaalt deze factuur en vraagt de btw terug in de aangifte. De inspecteur wijst het teruggaafverzoek voor het jaar 2016 af. De inspecteur stelt dat er voor 2016 geen sprake is van ‘in rekening gebrachte belasting’, omdat de btw bij de leverancier wegens verjaring niet meer nageheven kan worden. De ondernemer had de factuur voor 2016 volgens de inspecteur niet hoeven te betalen, omdat dit al bekend was.
Geen teruggaaf
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur het teruggaafverzoek terecht heeft afgewezen. Omdat de naheffing van btw over 2016 bij de leverancier door verjaring niet meer mogelijk is, is er geen sprake van ‘in rekening gebrachte belasting’ die voor aftrek in aanmerking komt volgens de wet. Het verzoek om teruggaaf van btw die niet verschuldigd is, kan daarom niet worden toegekend.
Een algemene machtiging voor het doen van aangiften omvat volgens de rechtbank óók de bevoegdheid om regelingen zoals de KOR aan te vragen. Ondernemers kunnen zich niet verschuilen achter een fout van hun adviseur. De wettelijke minimumtermijn van drie jaar is strikt. Ook het verlenen van een teruggaaf wekt geen gerechtvaardigd vertrouwen, zeker niet wanneer beëindiging van de KOR eerder nadrukkelijk is geweigerd.
Naheffing
Een adviseur meldt in november 2019 een van zijn klanten aan voor deelname aan de KOR. Ruim een jaar later verzoekt de adviseur om beëindiging van de KOR. Hij zou de regeling abusievelijk hebben aangevraagd. De inspecteur weigert dit. De adviseur heeft niet het juiste afmeldformulier gebruikt en daarbij is de wettelijke minimumtermijn van drie jaar nog niet verstreken.
Op 21 mei 2021 verleent de inspecteur, conform de ingediende aangifte over 2020, een teruggaaf. Ruim twee jaar later legt de inspecteur alsnog een naheffingsaanslag op, bestaande uit de eerder verleende teruggaaf plus de door de ondernemer in rekening gebrachte omzetbelasting.
Was de adviseur wel bevoegd?
De ondernemer stelt dat zij de deelname aan de KOR niet heeft aangevraagd en ook niemand heeft gemachtigd om dit voor haar te doen. De rechtbank oordeelt dat de toepassing van de KOR zodanig samenhangt met het doen van aangiften omzetbelasting dat de machtiging moet worden geïnterpreteerd als mede betrekking hebbend op de aanvraag van deelname aan de KOR. De adviseur heeft zelf aangegeven dat hij abusievelijk de KOR heeft aangevraagd, niet dat hij daartoe niet bevoegd was.
De ondernemer verklaart bij de rechtbank dat zij zich niet kan herinneren dat zij de bevestigingsbrieven heeft gezien, maar dat het in theorie denkbaar is dat zij de brieven heeft ontvangen. Niet blijkt dat zij actie heeft ondernomen om de aanmelding ongedaan te maken. De rechtbank leidt hieruit af dat de ondernemer en haar adviseur oorspronkelijk wel van mening waren dat de adviseur bevoegd was.
Beroep op vertrouwensbeginsel faalt
De ondernemer betoogt dat zij erop mocht vertrouwen dat de verleende teruggaaf juist was. De rechtbank oordeelt dat niet blijkt dat de ondernemer voor 2020 is uitgenodigd tot het doen van aangiften. Voor 2022 ontvangt zij wel een uitnodiging, maar kort daarna volgt een brief dat deze abusievelijk is verzonden, omdat zij in 2022 nog deelneemt aan de KOR.
Belangrijker in deze uitspraak is dat de inspecteur voorafgaand aan de teruggaafbeschikking tot tweemaal toe nadrukkelijk heeft geweigerd de deelname aan de KOR te beëindigen. De rechtbank oordeelt dat de ondernemer aan het enkel volgen van de ingediende aangifte niet het vertrouwen kan ontlenen dat de inspecteur toch een ander standpunt had ingenomen.
https://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2025/12/d2e48a5c-ccfd-45ac-9373-5bfcc12972da.jpg533800Burgers Accountants en Adviseurshttps://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.pngBurgers Accountants en Adviseurs2025-12-23 04:00:000000-00-00 00:00:00Adviseur vraagt per ongeluk kleineondernemersregeling aan
De Wet rechtsherstel box 3 heeft voor belastingplichtigen met buitenlands vermogen soms een averechtse uitwerking. De wetgever kiest bewust voor een strikte voorwaarde: alleen toepassen bij een lager voordeel uit sparen en beleggen. Deze harde grens laat geen ruimte voor een integrale afweging waarbij ook de uiteindelijk verschuldigde belasting wordt meegewogen.
Van voordeel naar teleurstelling
Een vrouw bezit banktegoeden, beleggingen en onroerende zaken buiten Nederland, met een totale waarde van ruim € 1,9 miljoen. Voor het jaar 2019 bedraagt het voordeel uit sparen en beleggen conform de oorspronkelijke forfaitaire regeling € 37.909. Met de nieuwe berekeningsmethode uit de Wet rechtsherstel box 3 komt dat voordeel hoger uit op € 42.808. De vrouw stelt echter dat zij per saldo minder belasting verschuldigd is wanneer het rechtsherstel wordt toegepast. De reden hiervoor is dat de vrijstelling voor het buitenlandse vermogen dan hoger uitvalt: van € 8.025 naar € 10.421. Het verschil in verschuldigde inkomstenbelasting bedraagt bijna duizend euro in het voordeel van de vrouw.
De hoofdregel: alleen bij lager voordeel
De Wet rechtsherstel box 3 bepaalt dat de nieuwe rekenmethode uitsluitend van toepassing is voor zover dit tot een lager voordeel uit sparen en beleggen leidt. In deze zaak valt het voordeel volgens de nieuwe methode € 4.899 hoger uit. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde voor toepassing. Het hof oordeelt dat de duidelijke wettekst zich niet leent voor een andere uitleg.
De belastingverdragen bieden geen uitkomst
De vrouw voert aan dat de systematiek van de belastingverdragen een andere uitkomst rechtvaardigt. Volgens haar kan het voordeel uit het buitenlandse onroerend goed buiten beschouwing blijven, omdat op grond van de verdragen toch een vrijstelling wordt verleend voor het daarover verschuldigde belastingbedrag. Het inkomen dat vervolgens wordt toegerekend aan de bank- en spaartegoeden zou dan volgens de rechtsherstelmethode moeten worden berekend, omdat dat lager uitvalt.
Het hof verwerpt dit betoog. Uit de systematiek van de inkomstenbelasting in samenhang met de belastingverdragen volgt dat eerst het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt bepaald aan de hand van de nationale wetgeving. Vervolgens verleent Nederland op grond van de voorkomingsbepaling in het verdrag een vrijstelling voor de belasting die betrekking heeft op de inkomensbestanddelen die aan het andere land zijn toegewezen.
Geen keuzemogelijkheid per vermogensbestanddeel
Het hof merkt op dat de redenering van de vrouw in feite neerkomt op een mengvorm waarbij voor elk vermogensbestanddeel afzonderlijk kan worden gekozen tussen de oude en nieuwe berekeningsmethode. Dit ‘eten van twee walletjes’ is volgens het hof in strijd met de systematiek van zowel de Wet IB 2001 als de Wet rechtsherstel box 3. De rendementsgrondslag in het buitenland kan niet buiten beschouwing blijven bij de initiële berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.
Bron:Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2025:2400 | 15-10-2025
https://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2025/12/11832e2d-32d2-4ee7-b9ed-c832cbefee30.jpg533800Burgers Accountants en Adviseurshttps://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.pngBurgers Accountants en Adviseurs2025-12-23 04:00:000000-00-00 00:00:00Bij buitenlands onroerend goed werkt rechtsherstel box 3 soms averechts
Bij de behandeling van het Belastingplan zijn verschillende moties aangenomen, gericht op de verlenging van de zachte landing voor de handhaving op arbeidsrelaties. Naar aanleiding hiervan heeft het kabinet besloten de zachte landing voor het handhavingsbeleid rond schijnzelfstandigheid gedeeltelijk te verlengen in 2026, maar niet volledig. Een volledige verlenging van de zachte landing zou volgens het kabinet ongewenste effecten hebben, zoals het ontmoedigen van organisaties die zich al hebben aangepast aan de regels en het vertragen van de vooruitgang op dit dossier.
Dit betekent dat in 2026 de volgende zaken wijzigen ten opzichte van 2025:
Er kunnen weer vergrijpboetes worden opgelegd.
Bij een boekenonderzoek kan de Belastingdienst kiezen voor een onderzoek over een kalenderjaar of een recent aangiftetijdvak.
De Belastingdienst blijft in 2026 de mogelijkheid van naheffingen voor de periode tot 1 januari 2025 behouden. De Belastingdienst blijft, ook in 2026, starten met een bedrijfsbezoek. De inzet daarbij is “het goede gesprek” en de mogelijkheid voor organisaties om hun bedrijfsvoering te verbeteren. Er zullen in 2026 nog geen verzuimboetes worden opgelegd. Dit betekent dat, anders dan in 2025, vanaf 2026 wel vergrijpboetes kunnen worden opgelegd. Het kabinet vindt dit belangrijk, omdat deze boetes worden opgelegd in het geval van opzet of grove schuld bij (evidente) schijnzelfstandigheid. Dit geldt voor zowel werkgevenden als werkenden.
Bron:Ministerie van Financiën | besluit | 18-12-2025
https://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2025/12/0cf1394c-6a82-44d4-81a9-0e5364785a8b.jpg534800Burgers Accountants en Adviseurshttps://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.pngBurgers Accountants en Adviseurs2025-12-23 04:00:000000-00-00 00:00:00Gedeeltelijke verlenging zachte landing handhaving schijnzelfstandigheid
De tarieven in box 1 van de inkomstenbelasting en voor de loonbelasting zijn in 2026 als volgt.
tariefschijf
inkomen op jaarbasis
belasting en premies volksverzekeringen, jonger dan AOW-leeftijd
idem, AOW-leeftijd en ouder
1
€ 0 tot € 38.884
35,75%
17,85%
2
€ 38.884 tot € 78.426
37,56%
37,56%
3
€ 78.426 of meer
49,5%
49,5%
Voor mensen, die geboren zijn voor 1 januari 1946, geldt een hogere grens van schijf 2 van € 41.123.
Het tarief in de eerste schijf bevat een premiecomponent. Tot de AOW-leeftijd bestaat deze uit 17,9% AOW, 0,1% Anw en 9,65% Wlz. Bij het bereiken van de AOW-leeftijd vervalt de AOW-premie. In 2026 bedraagt de AOW-leeftijd 67 jaar.
Heffingskortingen
De algemene heffingskorting bedraagt maximaal € 3.115 en wordt boven een inkomen van € 29.736 afgebouwd tot nihil. De afbouw bedraagt 6,398% van het meerdere inkomen. Voor mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt, bedraagt de algemene heffingskorting maximaal € 1.556 en bedraagt de afbouw 3,195%. Vanaf een inkomen van € 78.426 is de algemene heffingskorting nihil. Sinds 2025 is de algemene heffingskorting afhankelijk van het inkomen in de boxen 1, 2 en 3 samen.
De arbeidskorting bedraagt maximaal € 5.685 voor mensen die jonger zijn dan de AOW-leeftijd. Voor mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt, bedraagt de arbeidskorting maximaal € 2.840. De arbeidskorting wordt afgebouwd tot nihil vanaf een arbeidsinkomen van € 45.592. De afbouw bedraagt 6,51% van het arbeidsinkomen boven € 45.592. Voor AOW-gerechtigden bedraagt de afbouw 3,250%. De arbeidskorting bedraagt nihil bij een inkomen vanaf € 132.290.
De inkomensafhankelijke combinatiekorting start op nihil bij een arbeidsinkomen van € 6.239 en loopt op met 11,45% van het meerdere inkomen tot een maximum van € 3.032 bij een inkomen van € 32.720 of hoger.
De jonggehandicaptenkorting bedraagt € 923.
De ouderenkorting geldt voor AOW-gerechtigden. De ouderenkorting bedraagt € 2.067 tot een inkomen van € 46.002. Boven dat inkomen daalt de ouderenkorting met 15% van het meerdere tot nihil bij een inkomen van € 59.782. De alleenstaande-ouderenkorting bedraagt € 540.
Tarief box 2
Sinds 2024 kent box 2 een progressief tarief.
Inkomen in box 2 van
tot
tarief
€ 0
€ 68.843
24,5%
€ 68.843
31,0%
Tarief box 3
Het tarief voor de belastingheffing over de inkomsten uit sparen en beleggen bedraagt voor 2025 36%.
Forfaitaire rendementen box 3
Sinds 1 januari 2023 bestaan er drie categorieën vermogensbestanddelen met elk een eigen forfaitair rendementspercentage. De definitieve forfaits voor banktegoeden en schulden voor 2025 worden in het eerste kwartaal van 2026 vastgesteld. Voor het opleggen van voorlopige aanslagen wordt gebruikgemaakt van voorlopige forfaitaire rendementspercentages voor banktegoeden en schulden. Voor banktegoeden wordt uitgegaan van het rentepercentage van de maand juli van het voorafgaande kalenderjaar op deposito’s met een opzegtermijn van maximaal drie maanden. Voor 2026 bedraagt dit 1,28%. Voor schulden wordt uitgegaan van het rentepercentage van de maand juli van het voorafgaande kalenderjaar over het totale uitstaande bedrag aan woninghypotheken. Voor 2026 bedraagt dit 2,70%.
Voor de categorie overige bezittingen is het definitieve rendement voor 2026 vastgesteld op 6,00%.
Ondernemers
De zelfstandigenaftrek bedraagt in 2026 € 1.200. Dit was in 2025 nog € 2.470.
De mkb-winstaftrek voor ondernemers bedraagt 12,7% van de winst.
Bron:Ministerie van Financiën | publicatie | 21-12-2025
https://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2025/12/4e5eb972-2f77-49ec-86f5-56169aceb4a6.jpg436800Burgers Accountants en Adviseurshttps://www.burgersaccountants.nl/wp-content/uploads/2016/01/burgers-logo-300x92.pngBurgers Accountants en Adviseurs2025-12-23 04:00:000000-00-00 00:00:00Tarieven, heffingskortingen en bedragen inkomstenbelasting 2026
Onze website gebruikt cookies. Als u verder gaat op onze website, gaat u akkoord met het gebruik hiervan. OK
Privacy & Cookies
Privacy Overview
This website uses cookies to improve your experience while you navigate through the website. Out of these cookies, the cookies that are categorized as necessary are stored on your browser as they are as essential for the working of basic functionalities of the website. We also use third-party cookies that help us analyze and understand how you use this website. These cookies will be stored in your browser only with your consent. You also have the option to opt-out of these cookies. But opting out of some of these cookies may have an effect on your browsing experience.
Necessary cookies are absolutely essential for the website to function properly. This category only includes cookies that ensures basic functionalities and security features of the website. These cookies do not store any personal information.
Ontslag terecht door expliciete foto’s op werklaptop
Een IT-engineer wordt op staande voet ontslagen door zijn werkgever, een internationaal cloudsoftwarebedrijf. De werknemer stapt naar de rechter, omdat hij wil dat zijn ontslag op staande voet wordt vernietigd. Het ontslag is gebaseerd op een samengestelde dringende reden. De kantonrechter stelt drie hoofdredenen vast. Elke reden is afzonderlijk al voldoende om het ontslag te rechtvaardigen.
Werkweigering en schending van werkafspraken
De werknemer weigert redelijke instructies van de werkgever op te volgen. Hij voert geen één-op-één overleggen via videocalls of op kantoor. Ook weigert hij het verplichte hybride werken. Ondanks meerdere officiële waarschuwingen blijft hij volledig remote werken en verschijnt hij niet op kantoor. Dit is een duidelijke schending van de gezagsverhoudingen.
Escalerend en intimiderend gedrag
De kantonrechter wijst op een patroon van onprofessionele communicatie. De werknemer verstuurt een stroom intimiderende e-mails met dreigementen naar honderden collega’s, inclusief directie en juridische afdelingen. Hij stelt ongepaste eisen, zoals het onmiddellijke ontslag van collega’s. Dit gedrag veroorzaakt onrust in de organisatie en is disruptief en schadelijk.
Ernstig IT-misbruik
Het zwaarste element is het IT-misbruik. Uit intern onderzoek blijkt dat de werknemer zonder legitieme reden toegang heeft verkregen tot vertrouwelijke gegevens van collega’s. Hij slaat bedrijfsinformatie onrechtmatig buiten de systemen van de werkgever op. Daarnaast gebruikt hij Russische VPN-adressen en ongeautoriseerde hackingtools en verwijdert hij beveiligingssoftware. Hij creëert hiermee risico’s voor de cyberveiligheid van zijn werkgever en haar klanten. Op zijn werklaptop staan tienduizenden persoonlijke foto’s, waaronder duizenden expliciete beelden. Dit is in strijd met bedrijfsregels en professioneel gedrag.
Conclusie
Deze drie redenen samen tonen volgens de kantonrechter dat de werknemer het vertrouwen van de werkgever ernstig heeft geschaad. Gezien de aard van het werk en de risico’s voor de werkgever als internationaal cloudsoftwarebedrijf, kan van de werkgever niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te zetten. De kantonrechter beoordeelt het ontslag op staande voet daarom als proportioneel en gerechtvaardigd.
Misbruik van procesrecht door ondermaatse, door AI geproduceerde processtukken
Een man verzoekt bij de rechter om schorsing van de tenuitvoerlegging van een eerder vonnis. Volgens de man is niet voldaan aan bepaalde wettelijke vereisten, zoals het opstellen van een notariële huurkoopakte. De rechtbank wijst dit verzoek af en veroordeelt de man tot vergoeding van de volledige proceskosten wegens misbruik van procesrecht. De man brengt herhaaldelijk dezelfde inhoudelijke argumenten naar voren die al in eerdere procedures definitief zijn afgewezen. Daarnaast baseert hij zijn vorderingen op feiten waarvan hij wist, of had moeten weten, dat deze juridisch onjuist zijn.
De rechter weegt mee dat de man zijn processtukken naar eigen zeggen heeft opgesteld met behulp van een AI-instrument. Het zonder meer gebruiken van ondermaatse, door AI geproduceerde processtukken draagt volgens de rechter bij aan het misbruik van procesrecht. Die processtukken bevatten verschillende onbegrijpelijke verwijzingen naar wetsartikelen en juridische onjuistheden. De rechter rekent het de man aan dat hij de door AI geproduceerde stukken niet goed naleest en de juridische relevantie en juistheid ervan niet laat controleren door bijvoorbeeld een raadsman.
Beperkte tijd voor aanslag als een schenking niet is aangegeven
Als er aangifte schenkbelasting is gedaan, vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een eerste aanslag schenkbelasting drie jaar na het ontstaan van de belastingschuld (de schenking). Deze termijn wordt verlengd met eventueel verleend uitstel voor het doen van aangifte. Als er geen aangifte is gedaan, vervalt de bevoegdheid drie jaar na het overlijden van de schenker of de begiftigde. Het cruciale woord ‘of’ zorgt voor discussie. Begint de verjaring bij het eerste overlijden of pas als beide partijen zijn overleden?
Schenking zonder aangifte
Een echtgenoot schenkt in 2006 € 4 miljoen aan zijn vrouw. Hij overlijdt in 2007, maar van de schenking wordt geen aangifte gedaan. Pas in 2019 meldt de vrouw via een inkeerregeling het eerder niet aangegeven vermogen. De Belastingdienst legt in 2021 een aanslag schenkbelasting op van ruim € 1 miljoen. De vrouw stelt dat de verjaringstermijn al in 2010 is verlopen, drie jaar na het overlijden van haar man. De Belastingdienst houdt vol dat verjaring pas begint als beide partijen, dus zowel de man als de vrouw, zijn overleden.
Verjaring bij eerste overlijden
Het hof verwerpt het standpunt van de Belastingdienst. Het woord ‘of’ betekent een keuze tussen twee mogelijkheden die elkaar uitsluiten. De verjaringstermijn begint bij het eerste overlijden van schenker of begiftigde. De Belastingdienst beweerde dat de wetgever bedoelde dat verjaring pas start als beide partijen zijn overleden. Het hof vindt hiervoor geen steun in de wet. De wetgever had eenvoudig een andere formulering kunnen kiezen als het de bedoeling was dat de termijn pas na beide overlijdens zou starten.
Let op! Deze uitspraak geldt specifiek voor schenkbelasting bij geen aangifte. Voor erfbelasting en andere situaties (zoals navordering) kunnen andere regels gelden.
Verbod op contante betaling boven € 3.000
In Nederland geldt sinds 1 januari 2026 een verbod op contante betalingen voor goederen vanaf € 3.000. Het verbod geldt voor exploitanten van pandhuizen, kunsthandelaren en alle handelaren in goederen, zoals autohandelaren, juweliers, elektronicawinkels, meubelzaken, etc. Voor kunsthandelaren en handelaren in waardevolle goederen (zoals horloges of auto’s) blijven aanvullende verplichtingen gelden. Voor betalingen via de bank (pinnen, overmaken) van € 10.000 of meer, blijven de huidige Wwft-regels gelden. Cliëntenonderzoek is dus nog steeds nodig bij betalingen via de bank van € 10.000 of meer. En eventuele ongebruikelijke transacties moeten nog steeds worden gemeld bij FIU-Nederland.
Het verbod geldt voor alle contante betalingen die (deels) in of vanuit Nederland gebeuren. Dit betekent dat het verbod geldt voor:
Particulieren die onderling handelen (bijvoorbeeld via Marktplaats) vallen niet onder het verbod. Ook voor dienstverleners, zoals kappers en reisbureaus, geldt het verbod niet. Vanaf 10 juli 2027 gaat voor dienstverleners een limiet voor contante betalingen gelden op basis van Europese regelgeving.
Belastingrente van 4% niet te hoog
Belastingrente is de vergoeding die de Belastingdienst in rekening brengt als zij een belastingaanslag niet op tijd hebben kunnen vaststellen. Bijvoorbeeld omdat er te laat of onjuist aangifte werd gedaan. Onlangs heeft het hof Den Haag zich gebogen over een zaak waarin de hoogte van de belastingrente centraal stond.
Te late aangifte
In 2021 ontvangt een man een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting. Voor zijn aangifte vraagt hij meermaals uitstel aan. Sommige verzoeken worden toegekend, andere afgewezen. Uiteindelijk stuurt de inspecteur een herinnering en een aanmaning tot het doen van aangifte. De man dient zijn aangifte voor 2021 pas in februari 2023 in. Hierop legt de inspecteur een definitieve aanslag op, inclusief een verzuimboete en belastingrente.
Bezwaar belastingrente
De man maakt bezwaar tegen de opgelegde belastingrente. Hij stelt dat de belastingrente ten onrechte is berekend. Zijn argument is dat hij de inspecteur in eerdere jaren, namelijk 2017 en 2018, heeft verzocht de voorlopige teruggaaf stop te zetten. Volgens de man had de inspecteur deze stopzetting ook in de daaropvolgende jaren moeten voortzetten. Daarnaast betoogt de man dat het gehanteerde rentepercentage van 4% niet in verhouding staat tot de rentepercentages die gelden in box 3.
Stopzetting van de voorlopige teruggave?
Het hof stelt dat de inspecteur de belastingrente terecht en in overeenstemming met de wettelijke bepalingen in rekening heeft gebracht. Het feit dat de man in eerdere jaren heeft verzocht om stopzetting van de voorlopige teruggave, verandert niets aan de situatie voor 2021. De man heeft voor dat jaar immers geen specifiek verzoek tot wijziging of stopzetting ingediend. Het is de verantwoordelijkheid van de man om de voorlopige aanslag te controleren en indien nodig aan te passen.
Rente te hoog?
Ook het argument van de man over het rentepercentage wordt door het hof verworpen. Het hof benadrukt dat het percentage is vastgesteld op grond van de wet en het daarop gebaseerde besluit. De wetgever heeft een ruime beoordelingsmarge en het minimum van 4% is niet dusdanig hoog dat de wetgever buiten deze marge is getreden. Bovendien geldt dit minimumpercentage ook wanneer de Belastingdienst belastingrente moet vergoeden.
Verjaring btw-schuld voorkomt aftrek voorbelasting
Een ondernemer in het Verenigd Koninkrijk verkoopt trapliften die een gelieerde Nederlandse leverancier produceert. Jarenlang past de leverancier ten onrechte het btw-nultarief toe op deze leveringen. De ondernemer ontdekt de fout in 2020 en neemt contact op met de inspecteur om de situatie te corrigeren.
Correctie en verjaring
De ondernemer dient een suppletie in voor het jaar 2016. Na verdere correspondentie geeft de ondernemer eind 2022 het definitieve correctiebedrag door. De inspecteur legt vervolgens naheffingsaanslagen op aan de leverancier voor de jaren 2017 tot en met 2020. Voor het jaar 2016 is naheffing echter niet meer mogelijk, omdat de naheffingstermijn is verjaard.
Factuur en teruggaafverzoek
De leverancier stuurt de ondernemer in januari 2023 een factuur voor de btw-bedragen, inclusief het bedrag voor 2016. De ondernemer betaalt deze factuur en vraagt de btw terug in de aangifte. De inspecteur wijst het teruggaafverzoek voor het jaar 2016 af. De inspecteur stelt dat er voor 2016 geen sprake is van ‘in rekening gebrachte belasting’, omdat de btw bij de leverancier wegens verjaring niet meer nageheven kan worden. De ondernemer had de factuur voor 2016 volgens de inspecteur niet hoeven te betalen, omdat dit al bekend was.
Geen teruggaaf
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur het teruggaafverzoek terecht heeft afgewezen. Omdat de naheffing van btw over 2016 bij de leverancier door verjaring niet meer mogelijk is, is er geen sprake van ‘in rekening gebrachte belasting’ die voor aftrek in aanmerking komt volgens de wet. Het verzoek om teruggaaf van btw die niet verschuldigd is, kan daarom niet worden toegekend.
Adviseur vraagt per ongeluk kleineondernemersregeling aan
Een algemene machtiging voor het doen van aangiften omvat volgens de rechtbank óók de bevoegdheid om regelingen zoals de KOR aan te vragen. Ondernemers kunnen zich niet verschuilen achter een fout van hun adviseur. De wettelijke minimumtermijn van drie jaar is strikt. Ook het verlenen van een teruggaaf wekt geen gerechtvaardigd vertrouwen, zeker niet wanneer beëindiging van de KOR eerder nadrukkelijk is geweigerd.
Naheffing
Een adviseur meldt in november 2019 een van zijn klanten aan voor deelname aan de KOR. Ruim een jaar later verzoekt de adviseur om beëindiging van de KOR. Hij zou de regeling abusievelijk hebben aangevraagd. De inspecteur weigert dit. De adviseur heeft niet het juiste afmeldformulier gebruikt en daarbij is de wettelijke minimumtermijn van drie jaar nog niet verstreken.
Op 21 mei 2021 verleent de inspecteur, conform de ingediende aangifte over 2020, een teruggaaf. Ruim twee jaar later legt de inspecteur alsnog een naheffingsaanslag op, bestaande uit de eerder verleende teruggaaf plus de door de ondernemer in rekening gebrachte omzetbelasting.
Was de adviseur wel bevoegd?
De ondernemer stelt dat zij de deelname aan de KOR niet heeft aangevraagd en ook niemand heeft gemachtigd om dit voor haar te doen. De rechtbank oordeelt dat de toepassing van de KOR zodanig samenhangt met het doen van aangiften omzetbelasting dat de machtiging moet worden geïnterpreteerd als mede betrekking hebbend op de aanvraag van deelname aan de KOR. De adviseur heeft zelf aangegeven dat hij abusievelijk de KOR heeft aangevraagd, niet dat hij daartoe niet bevoegd was.
De ondernemer verklaart bij de rechtbank dat zij zich niet kan herinneren dat zij de bevestigingsbrieven heeft gezien, maar dat het in theorie denkbaar is dat zij de brieven heeft ontvangen. Niet blijkt dat zij actie heeft ondernomen om de aanmelding ongedaan te maken. De rechtbank leidt hieruit af dat de ondernemer en haar adviseur oorspronkelijk wel van mening waren dat de adviseur bevoegd was.
Beroep op vertrouwensbeginsel faalt
De ondernemer betoogt dat zij erop mocht vertrouwen dat de verleende teruggaaf juist was. De rechtbank oordeelt dat niet blijkt dat de ondernemer voor 2020 is uitgenodigd tot het doen van aangiften. Voor 2022 ontvangt zij wel een uitnodiging, maar kort daarna volgt een brief dat deze abusievelijk is verzonden, omdat zij in 2022 nog deelneemt aan de KOR.
Belangrijker in deze uitspraak is dat de inspecteur voorafgaand aan de teruggaafbeschikking tot tweemaal toe nadrukkelijk heeft geweigerd de deelname aan de KOR te beëindigen. De rechtbank oordeelt dat de ondernemer aan het enkel volgen van de ingediende aangifte niet het vertrouwen kan ontlenen dat de inspecteur toch een ander standpunt had ingenomen.
Bij buitenlands onroerend goed werkt rechtsherstel box 3 soms averechts
De Wet rechtsherstel box 3 heeft voor belastingplichtigen met buitenlands vermogen soms een averechtse uitwerking. De wetgever kiest bewust voor een strikte voorwaarde: alleen toepassen bij een lager voordeel uit sparen en beleggen. Deze harde grens laat geen ruimte voor een integrale afweging waarbij ook de uiteindelijk verschuldigde belasting wordt meegewogen.
Van voordeel naar teleurstelling
Een vrouw bezit banktegoeden, beleggingen en onroerende zaken buiten Nederland, met een totale waarde van ruim € 1,9 miljoen. Voor het jaar 2019 bedraagt het voordeel uit sparen en beleggen conform de oorspronkelijke forfaitaire regeling € 37.909. Met de nieuwe berekeningsmethode uit de Wet rechtsherstel box 3 komt dat voordeel hoger uit op € 42.808. De vrouw stelt echter dat zij per saldo minder belasting verschuldigd is wanneer het rechtsherstel wordt toegepast. De reden hiervoor is dat de vrijstelling voor het buitenlandse vermogen dan hoger uitvalt: van € 8.025 naar € 10.421. Het verschil in verschuldigde inkomstenbelasting bedraagt bijna duizend euro in het voordeel van de vrouw.
De hoofdregel: alleen bij lager voordeel
De Wet rechtsherstel box 3 bepaalt dat de nieuwe rekenmethode uitsluitend van toepassing is voor zover dit tot een lager voordeel uit sparen en beleggen leidt. In deze zaak valt het voordeel volgens de nieuwe methode € 4.899 hoger uit. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde voor toepassing. Het hof oordeelt dat de duidelijke wettekst zich niet leent voor een andere uitleg.
De belastingverdragen bieden geen uitkomst
De vrouw voert aan dat de systematiek van de belastingverdragen een andere uitkomst rechtvaardigt. Volgens haar kan het voordeel uit het buitenlandse onroerend goed buiten beschouwing blijven, omdat op grond van de verdragen toch een vrijstelling wordt verleend voor het daarover verschuldigde belastingbedrag. Het inkomen dat vervolgens wordt toegerekend aan de bank- en spaartegoeden zou dan volgens de rechtsherstelmethode moeten worden berekend, omdat dat lager uitvalt.
Het hof verwerpt dit betoog. Uit de systematiek van de inkomstenbelasting in samenhang met de belastingverdragen volgt dat eerst het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt bepaald aan de hand van de nationale wetgeving. Vervolgens verleent Nederland op grond van de voorkomingsbepaling in het verdrag een vrijstelling voor de belasting die betrekking heeft op de inkomensbestanddelen die aan het andere land zijn toegewezen.
Geen keuzemogelijkheid per vermogensbestanddeel
Het hof merkt op dat de redenering van de vrouw in feite neerkomt op een mengvorm waarbij voor elk vermogensbestanddeel afzonderlijk kan worden gekozen tussen de oude en nieuwe berekeningsmethode. Dit ‘eten van twee walletjes’ is volgens het hof in strijd met de systematiek van zowel de Wet IB 2001 als de Wet rechtsherstel box 3. De rendementsgrondslag in het buitenland kan niet buiten beschouwing blijven bij de initiële berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.
Gedeeltelijke verlenging zachte landing handhaving schijnzelfstandigheid
Bij de behandeling van het Belastingplan zijn verschillende moties aangenomen, gericht op de verlenging van de zachte landing voor de handhaving op arbeidsrelaties. Naar aanleiding hiervan heeft het kabinet besloten de zachte landing voor het handhavingsbeleid rond schijnzelfstandigheid gedeeltelijk te verlengen in 2026, maar niet volledig. Een volledige verlenging van de zachte landing zou volgens het kabinet ongewenste effecten hebben, zoals het ontmoedigen van organisaties die zich al hebben aangepast aan de regels en het vertragen van de vooruitgang op dit dossier.
Dit betekent dat in 2026 de volgende zaken wijzigen ten opzichte van 2025:
De Belastingdienst blijft in 2026 de mogelijkheid van naheffingen voor de periode tot 1 januari 2025 behouden. De Belastingdienst blijft, ook in 2026, starten met een bedrijfsbezoek. De inzet daarbij is “het goede gesprek” en de mogelijkheid voor organisaties om hun bedrijfsvoering te verbeteren. Er zullen in 2026 nog geen verzuimboetes worden opgelegd. Dit betekent dat, anders dan in 2025, vanaf 2026 wel vergrijpboetes kunnen worden opgelegd. Het kabinet vindt dit belangrijk, omdat deze boetes worden opgelegd in het geval van opzet of grove schuld bij (evidente) schijnzelfstandigheid. Dit geldt voor zowel werkgevenden als werkenden.
Tarieven, heffingskortingen en bedragen inkomstenbelasting 2026
De tarieven in box 1 van de inkomstenbelasting en voor de loonbelasting zijn in 2026 als volgt.
Voor mensen, die geboren zijn voor 1 januari 1946, geldt een hogere grens van schijf 2 van € 41.123.
Het tarief in de eerste schijf bevat een premiecomponent. Tot de AOW-leeftijd bestaat deze uit 17,9% AOW, 0,1% Anw en 9,65% Wlz. Bij het bereiken van de AOW-leeftijd vervalt de AOW-premie. In 2026 bedraagt de AOW-leeftijd 67 jaar.
Heffingskortingen
De algemene heffingskorting bedraagt maximaal € 3.115 en wordt boven een inkomen van € 29.736 afgebouwd tot nihil. De afbouw bedraagt 6,398% van het meerdere inkomen. Voor mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt, bedraagt de algemene heffingskorting maximaal € 1.556 en bedraagt de afbouw 3,195%. Vanaf een inkomen van € 78.426 is de algemene heffingskorting nihil. Sinds 2025 is de algemene heffingskorting afhankelijk van het inkomen in de boxen 1, 2 en 3 samen.
De arbeidskorting bedraagt maximaal € 5.685 voor mensen die jonger zijn dan de AOW-leeftijd. Voor mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt, bedraagt de arbeidskorting maximaal € 2.840. De arbeidskorting wordt afgebouwd tot nihil vanaf een arbeidsinkomen van € 45.592. De afbouw bedraagt 6,51% van het arbeidsinkomen boven € 45.592. Voor AOW-gerechtigden bedraagt de afbouw 3,250%. De arbeidskorting bedraagt nihil bij een inkomen vanaf € 132.290.
De inkomensafhankelijke combinatiekorting start op nihil bij een arbeidsinkomen van € 6.239 en loopt op met 11,45% van het meerdere inkomen tot een maximum van € 3.032 bij een inkomen van € 32.720 of hoger.
De jonggehandicaptenkorting bedraagt € 923.
De ouderenkorting geldt voor AOW-gerechtigden. De ouderenkorting bedraagt € 2.067 tot een inkomen van € 46.002. Boven dat inkomen daalt de ouderenkorting met 15% van het meerdere tot nihil bij een inkomen van € 59.782. De alleenstaande-ouderenkorting bedraagt € 540.
Tarief box 2
Sinds 2024 kent box 2 een progressief tarief.
Tarief box 3
Het tarief voor de belastingheffing over de inkomsten uit sparen en beleggen bedraagt voor 2025 36%.
Forfaitaire rendementen box 3
Sinds 1 januari 2023 bestaan er drie categorieën vermogensbestanddelen met elk een eigen forfaitair rendementspercentage. De definitieve forfaits voor banktegoeden en schulden voor 2025 worden in het eerste kwartaal van 2026 vastgesteld. Voor het opleggen van voorlopige aanslagen wordt gebruikgemaakt van voorlopige forfaitaire rendementspercentages voor banktegoeden en schulden. Voor banktegoeden wordt uitgegaan van het rentepercentage van de maand juli van het voorafgaande kalenderjaar op deposito’s met een opzegtermijn van maximaal drie maanden. Voor 2026 bedraagt dit 1,28%. Voor schulden wordt uitgegaan van het rentepercentage van de maand juli van het voorafgaande kalenderjaar over het totale uitstaande bedrag aan woninghypotheken. Voor 2026 bedraagt dit 2,70%.
Voor de categorie overige bezittingen is het definitieve rendement voor 2026 vastgesteld op 6,00%.
Ondernemers
De zelfstandigenaftrek bedraagt in 2026 € 1.200. Dit was in 2025 nog € 2.470.
De mkb-winstaftrek voor ondernemers bedraagt 12,7% van de winst.