Een Nederlandse bv ontvangt dividend van haar Chinese dochtermaatschappij. Zij waardeert de dividendvordering in euro's tegen de slotkoers van de maand voorafgaand aan de transactie, zoals de concernrichtlijnen voorschrijven. De inspecteur vindt dat zij de dagkoers had moeten gebruiken en legt een navorderingsaanslag op. De correctie bedraagt ruim € 7,4 miljoen. Is het waarderingssysteem van de bv in overeenstemming met goed koopmansgebruik?

Dividend uit China

De bv is de Nederlandse tak van een beursgenoteerd logistiek concern en houdt belangen in meer dan 200 dochtermaatschappijen wereldwijd. In augustus 2015 keert een Chinese dochter een dividend uit, van omgerekend ruim € 106 miljoen. De uitbetaling vindt pas in november plaats, omdat de goedkeuring van de Chinese fiscale autoriteiten voor een verlaagd tarief bronbelasting op zich laat wachten. De bv activeert de dividendvordering tegen de slotkoers van juli 2015 en waardeert de ontvangen betalingen tegen de slotkoers van oktober 2015. Dat levert een koersverlies op van bijna € 2,5 miljoen.

Inspecteur wil dagkoersen

De inspecteur is het niet eens met deze werkwijze. Hij stelt dat de bv de dagkoers van de transactie had moeten hanteren en komt dan niet uit op een verlies, maar op een koerswinst van bijna € 5 miljoen. De correctie van ruim € 7,4 miljoen leidt tot een navorderingsaanslag over 2015 en doorwerking naar 2016. De inspecteur betoogt dat het waarderingssysteem van de bv in strijd is met goed koopmansgebruik, met de deelnemingsvrijstelling en met het totaalwinstbeginsel. Bovendien zou de interne concernovereenkomst onzakelijk zijn.

Waarom de slotkoers?

De bv legt uit dat alle concernonderdelen gebonden zijn aan een interne bankovereenkomst en aan concernbrede boekhoudvoorschriften. Deze schrijven voor dat transacties in vreemde valuta worden gewaardeerd tegen de slotkoers van de voorafgaande maand. Het waarderingssysteem heeft valide bedrijfseconomische redenen: de valutarisico's worden geconcentreerd bij de inhouse bank van het hoofdkantoor. Bovendien sluiten de administraties van alle concernonderdelen op deze manier goed op elkaar aan. Dit vergemakkelijkt het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening. De bv past dit systeem al decennialang bestendig toe.

Goed koopmansgebruik

De rechtbank oordeelt dat het waarderingssysteem van de bv in overeenstemming is met goed koopmansgebruik. Bedrijfseconomische inzichten en de civielrechtelijke werkelijkheid zijn leidend, zolang geen strijd ontstaat met een uitdrukkelijk wettelijk voorschrift. Daarvan is hier geen sprake. De bv heeft immers niet meer dividend ontvangen dan het in haar aangifte verantwoorde bedrag, zodat geen strijd is met de deelnemingsvrijstelling of het totaalwinstbeginsel. Dat de koers van de Chinese yuan ten opzichte van de euro grillig is, doet daar niet aan af. Het systeem beantwoordt aan zowel het realiteitsbeginsel als het eenvoudsbeginsel. De inspecteur heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de bv zich door het systeem structureel winst laat ontgaan. De rechtbank vernietigt de navorderingsaanslagen.

Bron:Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:4173 | 14-04-2026

Een stichting ondersteunt de tuchtcolleges voor de advocatuur. De Nederlandse orde van advocaten (NOvA) betaalt hiervoor een jaarlijkse bijdrage. De stichting meent dat zij geen btw-ondernemer is, omdat zij niet zelfstandig opereert en haar diensten het algemeen belang dienen. De Hoge Raad oordeelt anders.

Driehoeksverhouding

De stichting is in 2015 opgericht om de tuchtcolleges te ondersteunen bij hun taak. Zij werft griffiers en administratief personeel, huurt zittingszalen en werkplekken, beheert de websites van de tuchtcolleges en doet de persvoorlichting. De griffiers zijn formeel in dienst bij de stichting, maar worden aangewezen en ontslagen door de tuchtcolleges zelf. Sinds 2018 betaalt niet langer de Staat, maar de NOvA de kosten van de tuchtrechtspraak. De stichting ontvangt daarom een jaarlijkse kostendekkende bijdrage van de NOvA. Aan de tuchtcolleges brengt zij niets in rekening.

Drie argumenten tegen btw-plicht

De stichting stelt zich op het standpunt dat zij geen btw verschuldigd is over de bijdrage van de NOvA. Ten eerste zou zij niet zelfstandig opereren, omdat zij organisatorisch verweven is met de tuchtcolleges en volledig afhankelijk is van hun aanwijzingen. Ten tweede zou zij niet deelnemen aan het economische verkeer, omdat haar specialistische diensten niet op een algemene markt worden aangeboden. Ten derde zou geen rechtstreeks verband bestaan tussen haar diensten en de bijdrage van de NOvA, omdat zij handelt in het algemeen belang van de rechtsstaat.

Zelfstandigheid

De Hoge Raad verwerpt alle drie de argumenten. Het begrip zelfstandigheid moet ruim worden uitgelegd. De stichting sluit in eigen naam contracten met leveranciers, onderhandelt zelf over de voorwaarden en gaat arbeidsovereenkomsten aan met haar personeel. Dat de griffiers formeel worden aangewezen door de tuchtcolleges en voor de inhoud van hun werk verantwoording aan hen verschuldigd zijn, doet hier niet aan af. Die wettelijke bepalingen beogen de onafhankelijkheid van de tuchtrechtspraak te waarborgen, niet de stichting ondergeschikt te maken aan de tuchtcolleges.

Economisch verkeer en rechtstreeks verband

Ook het argument dat de stichting niet deelneemt aan het economische verkeer slaagt niet. De diensten van de stichting omvatten meer dan alleen griffierswerkzaamheden. Zij verzorgt de volledige organisatie en coördinatie van de tuchtrechtspraak. Dergelijke ondersteunende diensten kunnen ook door andere partijen worden aangeboden. Dat de stichting statutair gebonden is aan de tuchtcolleges als enige afnemers, sluit deelname aan een algemene markt niet uit. Tot slot verwerpt de Hoge Raad het beroep op het algemeen belang. Het feit dat de tuchtrechtspraak de rechtsstaat en de maatschappij dient, betekent niet dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de diensten en de vergoeding. De tuchtcolleges zijn de identificeerbare verbruikers van de diensten en de bijdrage van de NOvA vormt de tegenprestatie. Het cassatieberoep is ongegrond.

Bron:Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:959 | 18-06-2026

Een vader overlijdt in november 2016 en laat zijn zoon en dochter achter als erfgenamen, ieder voor de helft van de nalatenschap. Tot de nalatenschap behoren alle aandelen in de bv van de vader die acht bedrijfspanden bezit in dezelfde plaats. Twee panden gebruikt de bv zelf, de overige zes worden verhuurd aan derden. De bv had voor het overlijden van de vader drie werknemers in dienst: de vader zelf, zijn partner en een medewerker die zorgt voor klein onderhoud en toezicht. De erfgenamen geven een ondernemingsvermogen aan van ruim € 3,1 miljoen en vragen toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (bor).

Waarom is de materiële onderneming zo belangrijk?

De bor biedt een voorwaardelijke vrijstelling van erfbelasting voor ondernemingsvermogen. Het doel van de regeling is om te voorkomen dat erfgenamen een familiebedrijf moeten verkopen om de erfbelasting te kunnen betalen. Een cruciale voorwaarde is echter dat de bv een materiële onderneming drijft in de zin van de Wet inkomstenbelasting. Bezit de bv alleen beleggingsvermogen, dan geldt de vrijstelling niet. Het onderscheid tussen ondernemen en beleggen is daarom van groot belang: bij een belaste verkrijging van ruim € 1,7 miljoen kan de vrijstelling honderdduizenden euro's aan erfbelasting schelen.

Meer dan normaal vermogensbeheer?

De zoon betoogt dat de bv wel degelijk een materiële onderneming dreef. Hij wijst op de opruimwerkzaamheden die nodig waren nadat een failliete huurder onbevoegd chemische stoffen had opgeslagen. Bovendien woonde de vader als beheerder op het terrein, wat volgens de zoon leidde tot lagere onderhoudskosten en een betere verhuurbaarheid. Ook hadden huurders verbouwingen uitgevoerd die de bv een hoger indirect rendement zouden opleveren. De inspecteur bestrijdt dat deze werkzaamheden het normale vermogensbeheer overstijgen.

Gewone verhuurwerkzaamheden

Het hof geeft de inspecteur gelijk. Bij de exploitatie van onroerende zaken is pas sprake van een onderneming als de verrichte arbeid naar aard en omvang meer omvat dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Bovendien moet die arbeid onmiskenbaar ten doel hebben dat een rendement wordt behaald dat het normale rendement te boven gaat. De werkzaamheden van de bv voldoen niet aan deze dubbele maatstaf. Het opstellen van huurovereenkomsten, het onderhouden van contact met huurders, debiteurenbeheer, klachtenbehandeling en klein onderhoud zijn immers werkzaamheden die bij iedere verhuurder voorkomen. Dat de vader op het terrein woonde maakt dit niet anders, omdat de zoon niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit daadwerkelijk tot een hoger rendement leidde.

Bron:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:3418 | 26-05-2026

Een ondernemer mag jaarlijks maximaal 20% van de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen afschrijven. Dit percentage geldt voor de kosten exclusief btw, tenzij de btw niet kan worden teruggevraagd. Deze regel zorgt er in de meeste gevallen voor dat de afschrijving over een langere periode wordt gespreid.

Afschrijving en autokosten

Een ondernemer schaft een laptop, tablet en accessoires aan voor € 2.934, exclusief btw (€ 3.551 inclusief). In zijn aangifte neemt hij € 3.551 aan afschrijvingskosten op. De inspecteur corrigeert dit bedrag in de definitieve aanslag. Na bezwaar staat de inspecteur € 711 (20% van € 3.551) aan afschrijvingskosten toe.

Maximale afschrijving

De ondernemer stelt dat hij recht heeft op een hogere afschrijving. De rechtbank overweegt echter dat de afschrijvingsbasis € 2.934 exclusief btw is, omdat de ondernemer de btw op de computerkosten heeft teruggevraagd. De maximale jaarlijkse afschrijving bedraagt daar 20% van, wat neerkomt op € 587. De inspecteur heeft in de bezwaarfase al € 711 aan afschrijvingskosten toegestaan, wat dus al hoger is dan het wettelijk toegestane bedrag.

Bron:Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:15431 | 28-05-2026

Een bv brengt over de jaren 2014 tot en met 2017 forse bedragen aan voorbelasting in aftrek. Bij een boekenonderzoek blijkt dat zij voor een groot deel van die aftrek geen facturen kan overleggen. De bv verwijst naar haar grootboekkaarten, maar de inspecteur legt naheffingsaanslagen op van in totaal ruim € 64.000. 

Forse aftrek, weinig facturen

De bv heeft over 2014 bijna € 70.000 aan voorbelasting in aftrek gebracht, verdeeld over de vier kwartalen. In de jaren daarna fluctueren de bedragen sterk: van slechts € 51 in het derde kwartaal van 2015 tot ruim € 13.000 in het tweede kwartaal van 2016. Bij het boekenonderzoek kan de bv echter alleen facturen overleggen voor managementvergoedingen. Die facturen onderbouwen slechts een klein deel van de geclaimde aftrek. Voor het overige beschikt de bv alleen over grootboekkaarten.

Was de naheffingsaanslag 2014 op tijd?

De bv voert aan dat zij de naheffingsaanslag 2014 pas begin januari 2020 heeft ontvangen, terwijl de naheffingstermijn op 31 december 2019 verstreek. Zij betwist dat de inspecteur de aanslag tijdig ter post heeft bezorgd. De inspecteur toont echter een verzendrapportage, waaruit blijkt dat de naheffingsaanslag op 24 december 2019 aan PostNL is aangeboden. De rechtbank acht daarmee aannemelijk dat de aanslag tijdig is verzonden naar het juiste adres. De naheffingsaanslag 2014 is dus binnen de termijn opgelegd. Dat de bv de aanslag pas in januari 2020 ontving, doet daar niet aan af.

Bewijslast rust op de ondernemer

De rechtbank beoordeelt vervolgens de aftrek van voorbelasting. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de bv recht heeft op aftrek van de btw op de facturen voor de managementvergoedingen. Het geschil spitst zich toe op de posten waarvoor geen facturen zijn. De bv verklaart zelf dat zij de aftrek voor deze posten alleen kan onderbouwen met grootboekkaarten. De rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is.

Factuur is vereiste voor aftrek

Een ondernemer kan de btw die andere ondernemers aan hem in rekening hebben gebracht alleen in aftrek brengen als die btw vermeld staat op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur. Zonder factuur bestaat dus geen recht op aftrek, hoe overtuigend de grootboekkaarten ook mogen zijn. De naheffingsaanslagen zijn terecht opgelegd. De vergrijpboeten worden wel vernietigd, omdat beide partijen het daarover eens zijn.

Bron:Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:4871 | 02-06-2026

Een belastingaanslag waarbij voor de jaren 2017 tot en met 2020 te veel inkomstenbelasting in box 3 is geheven, hoeft niet te worden verminderd als die aanslag definitief is komen vast te staan vóór het zogenoemde Kerstarrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. Dat heeft de Hoge Raad beslist in twee zaken die als proefprocedures waren voorgelegd.

Kerstarrest

In het Kerstarrest is geoordeeld dat het box 3-stelsel vanaf 2017 een inbreuk vormt op het discriminatieverbod en het eigendomsrecht als het fictieve rendement hoger is dan het werkelijke rendement. Aanslagen moeten dan worden verminderd. De wettelijke regeling kent echter een uitzondering. Een vermindering vindt niet plaats als de onjuistheid van de aanslag voortvloeit uit rechtspraak die pas is gewezen nadat de aanslag definitief is geworden. De Hoge Raad heeft in 2022 al beslist dat het Kerstarrest 'nieuwe jurisprudentie' is.

Gelijke behandeling en evenredigheid

De Hoge Raad ziet geen reden terug te komen van zijn eerdere beslissing uit 2022. Personen die niet tijdig bezwaar hebben gemaakt, verkeren niet in dezelfde positie als wel-bezwaarmakers, waardoor van discriminatie geen sprake is. De uitzondering voor 'nieuwe jurisprudentie' is ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De doelen van rechtszekerheid en praktische overwegingen zijn legitiem en de nadelige gevolgen voor niet-bezwaarmakers zijn niet onevenredig. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden leiden, zijn niet gesteld. Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard.

Bron:Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:907 | 24-06-2026

De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief aangenomen. Dit wetsvoorstel wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek door het invoeren van een rechtsvermoeden van werknemerschap bij een laag uurtarief. Deze maatregel heeft als doel laagbetaalde zzp’ers, die vaak kwetsbare werkenden zijn, beter te beschermen tegen schijnzelfstandigheid.

Drempel en doel

Het rechtsvermoeden geldt voor zzp’ers die minder dan € 38 per uur (peildatum 1 januari 2026) verdienen. De introductie van dit vermoeden maakt het voor deze zzp’ers eenvoudiger om hun rechtspositie als werknemer op te eisen bij de werkgevende en, indien nodig, bij de rechter.

Gevolgen voor opdrachtgevers

Wanneer zzp’ers een beroep doen op dit rechtsvermoeden, moeten de opdrachtgevers aantonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Als opdrachtgevers dit niet kunnen bewijzen, is er sprake van schijnzelfstandigheid. In dat geval heeft de zzp’er recht op de bescherming die hoort bij iemand in loondienst, zoals recht op loondoorbetaling bij ziekte en ontslagbescherming.

Bron:Overig | wetsvoorstel | 36.783 | 15-06-2026

Een dga sluit een overeenkomst voor de aankoop van cryptotokens. De bv maakt het aankoopbedrag van € 250.000 over. De tokens blijken waardeloos. De bv wil het verlies ten laste van haar resultaat brengen. De inspecteur weigert de afwaardering. De overeenkomst staat immers op naam van de dga, niet op naam van de bv. 

Investering in cryptomining

In 2018 wordt de dga benaderd door een bedrijf uit de Verenigde Arabische Emiraten. Het bedrijf wil geld ophalen voor een cryptominingonderneming. De dga krijgt een brochure met mooie rendementsvooruitzichten. Hij sluit een overeenkomst voor de aankoop van ruim 422 miljoen tokens voor € 250.000. De tokens geven recht op een maandelijks aandeel in de opbrengst van de mining. De bv maakt het bedrag over. In de jaarrekening 2018 van de bv worden de tokens opgenomen onder financiële vaste activa.

Investering blijkt waardeloos

Het blijkt echter dat er niets gebeurt met het geld. De cryptomining komt nooit van de grond. In mei 2020 bevestigt een van de betrokkenen per e-mail dat het project is mislukt en de investering waardeloos is. Een onderzoeksbureau concludeert in opdracht van de dga dat voldoende grond bestaat voor aangifte wegens oplichting. In de aangifte vennootschapsbelasting 2019 brengt de bv de volledige € 250.000 in aftrek als afwaardering van de tokens.

Overeenkomst staat op naam dga

De inspecteur weigert de aftrek. De overeenkomst is immers door de dga in privé gesloten, niet door de bv. Ook het ontvangstbewijs voor de tokens staat op naam van de dga. Dat de bv het bedrag heeft overgemaakt, maakt dit niet anders. De betaling kwalificeert als verkapte winstuitdeling aan de dga. De inspecteur legt een aanslag op naar een belastbaar bedrag van € 3.556.548 in plaats van de aangegeven € 3.306.548.

Hof volgt inspecteur

De curator van de inmiddels failliete bv gaat in beroep. Hij stelt dat de bv om zakelijke redenen in de tokens heeft geïnvesteerd, namelijk om handelstransacties in cryptovaluta te faciliteren. Het hof oordeelt dat de bewijslast bij de curator ligt. Uit de overeenkomst blijkt nergens dat de dga namens de bv handelde. De curator heeft ook geen e-mails of andere stukken uit 2018 overgelegd waaruit dit zou kunnen blijken. De inspecteur had hier al vóór het faillissement om gevraagd. Dat de stukken er niet meer zijn, komt voor rekening van de bv. Bovendien heeft de accountant zich onthouden van een oordeel over de jaarrekening. De afwaardering is terecht geweigerd.

Bron:Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:1023 | 18-03-2026

Een echtpaar vraagt om herverdeling van de gezamenlijke inkomensbestanddelen over 2019. De inspecteur legt een navorderingsaanslag op aan de man en geeft een teruggaaf aan de vrouw. Bij de navorderingsaanslag brengt de inspecteur € 3.681 aan belastingrente in rekening, meer dan het echtpaar oorspronkelijk samen verschuldigd was. De man protesteert. Hij vindt het niet terecht dat de inspecteur bij een herverdeling meer belastingrente in rekening brengt.

Oorspronkelijk te weinig rente berekend

Hij wijst erop dat de totale belastingrente bij de oorspronkelijke aanslagen slechts € 2.675 bedroeg. Door de herverdeling stijgt zijn belastingrente dus fors. De inspecteur erkent echter dat hij bij de oorspronkelijke aanslagen een fout had gemaakt. Hij had de rente over een te korte periode berekend. Eigenlijk had de totale belastingrente € 6.889 moeten zijn. De man heeft dus juist voordeel gehad van de fout.

Beroep op EVRM en evenredigheid

De man stelt dat het percentage belastingrente in strijd is met hogere regelgeving. Hij beroept zich onder meer op het EVRM en het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank verwijst naar een arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026. Daarin oordeelde de Hoge Raad weliswaar dat de belastingrente voor de vennootschapsbelasting te hoog is, maar dat dit niet geldt voor de inkomstenbelasting. Het rentepercentage is niet disproportioneel. De prikkel om tijdig en juist aangifte te doen is immers een legitiem doel.

Wijziging door verzoek, niet door bezwaar

Subsidiair beroept de man zich op het verbod van reformatio in peius. De belastingrente mag door het bezwaar niet hoger worden dan bij de oorspronkelijke aanslagen. De rechtbank gaat hier niet in mee. De belastingrente is namelijk gewijzigd als gevolg van het verzoek om een andere verdeling, niet door het bezwaar. Dat de inspecteur bij de oorspronkelijke aanslagen te weinig rente in rekening had gebracht, doet daar niet aan af. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Bron:Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:3362 | 28-04-2026

De beslissing van de werkgever om een werknemer met een nulurencontract niet meer op te roepen voor werkzaamheden moet worden aangemerkt als een onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst. De werknemer is sinds 1 oktober 2024 in dienst. Na augustus 2025 roept de werkgever hem niet meer op voor werkzaamheden. De werknemer spreekt zijn werkgever hierop aan en verzoekt betaling van achterstallig salaris, transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding. De werkgever weigert betaling en stelt dat de arbeidsovereenkomst niet is beëindigd, maar dat zij slechts is gestopt met oproepen.

Onregelmatige opzegging 

Het blijvend niet meer oproepen voor werkzaamheden door de werkgever komt neer op een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Omdat de werknemer niet heeft ingestemd en de opzegtermijn niet in acht is genomen, is sprake van een onregelmatige opzegging. Wanneer een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, wordt vermoed dat de bedongen arbeid in enige maand een omvang heeft die gelijk is aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden De werknemer heeft aannemelijk gemaakt dat hij structureel meer uren werkte dan de nul uren uit het contract. De werkgever heeft dit vermoeden niet weerlegd en heeft geen deugdelijke urenregistratie overgelegd. De kantonrechter gaat daarom uit van de gestelde en met werkbriefjes onderbouwde arbeidsomvang van 43,5 uur per week.

Loon en vergoedingen

De vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding worden toegewezen. Ook het achterstallig salaris over juli en augustus en het opgebouwde vakantiegeld, vermeerderd met de wettelijke verhoging, worden toegewezen. De wettelijke rente over deze bedragen wordt eveneens toegewezen. De loonvordering vanaf september 2025 tot 24 november 2025 wordt afgewezen. De werknemer heeft zich niet beschikbaar gehouden voor werkzaamheden na het starten van een nieuwe baan. De werkgever moet binnen één maand correcte bruto/netto-specificaties verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 50 per dag tot maximaal € 1.000.

Bron:Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:4327 | 23-04-2026