Een bestuurder van een transportbedrijf wordt aansprakelijk gesteld voor bijna € 730.000 aan onbetaalde loonheffing en omzetbelasting. Hij stelt dat hij tijdig melding van betalingsonmacht heeft gedaan. De rechtbank oordeelt echter dat dit niet het geval is. Het verzoek om corona-uitstel is ingediend op basis van een onjuiste reden. Daarnaast is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Terwijl de belastingschulden oplopen, ontvangt de bestuurder ruim € 470.000 van groepsvennootschappen zonder dat duidelijk is waarvoor.

Sterke groei, geen belasting betaald

Het transportbedrijf wordt opgericht in augustus 2020 en groeit snel. De omzet stijgt van € 1,5 miljoen in 2020 naar bijna € 9 miljoen in 2023. Tegelijk blijven aanzienlijke bedragen aan loonheffing en omzetbelasting onbetaald. In januari 2022 vraagt het bedrijf corona-uitstel aan vanwege terugvallende opdrachten. De Belastingdienst verleent dit uitstel, maar trekt het later in, omdat onvoldoende uitleg wordt gegeven over de relatie met corona.

Corona-uitstel op verkeerde gronden

De bestuurder stelt dat het verzoek om corona-uitstel geldt als melding van betalingsonmacht. De rechtbank verwerpt dit standpunt. De opgegeven reden blijkt onjuist in het licht van de sterke omzetgroei. Daardoor geldt het verzoek niet als een geldige melding. Een later verzoek om een betalingsregeling van 1 mei 2023 wordt wel als melding gezien, maar dit is alleen tijdig voor de maanden februari en maart 2023.

Geen redelijk handelend bestuurder

Ook voor deze maanden blijft de bestuurder aansprakelijk. De rechtbank oordeelt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De bestuurder is op de hoogte van de belastingschulden en ontvangt hierover meerdere overzichten. Toch blijven aangiften uit of worden te laat ingediend en lopen de schulden verder op. Tegelijkertijd wordt € 3,8 miljoen overgeboekt naar gelieerde vennootschappen. Volgens de bestuurder zijn deze betalingen nodig voor de continuïteit van de groep, maar een groot deel van het geld komt uiteindelijk bij hemzelf terecht.

Ruim vier ton zonder verklaring

In drie jaar tijd ontvangt de bestuurder € 723.567 op zijn privérekening vanuit groepsvennootschappen. Hiervan betreft € 253.108 nettoloon. Voor het resterende bedrag van € 470.459 geeft hij geen verklaring. Ook uit bankafschriften blijkt niet waarvoor deze bedragen zijn betaald. De rechtbank acht aannemelijk dat een groot deel van dit bedrag indirect afkomstig is van het transportbedrijf en kwalificeert deze betalingen als onzakelijk.

Niet-bestaande jurisprudentie

Opvallend is dat de rechtbank een deel van het beroepschrift buiten beschouwing laat. Het bevat meerdere foutieve en niet-bestaande verwijzingen naar jurisprudentie. De rechtbank laat de stellingen die daarop zijn gebaseerd buiten beschouwing. Het patroon van niet-bestaande arresten met plausibel klinkende vindplaatsen doet denken aan AI-hallucinaties. De rechtbank zegt het niet met zoveel woorden, maar de boodschap is helder: controleer uw bronnen.

Bron:Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:2673 | 10-03-2026

Tijdens een rechtszaak komt een man met de inspecteur overeen dat zijn werkelijk rendement in box 3 € 855 bedraagt. Enkele maanden later oordeelt de Hoge Raad dat bij de vaststelling van het werkelijk rendement geen rekening mag worden gehouden met kosten. De inspecteur wil het compromis vervolgens openbreken, maar het hof houdt hem aan de afspraak. Wie een compromis sluit, aanvaardt de kans dat latere jurisprudentie anders uitpakt.

Overeenstemming ter zitting

De aanslag IB/PVV 2018 vermeldt een box 3-inkomen van € 147.253. De inspecteur vermindert dat bedrag later naar € 63.621. De man is het daar niet mee eens en gaat in beroep. Tijdens de zitting bij de rechtbank bereiken zij overeenstemming. Zij stellen het werkelijk rendement vast op € 855. De rechtbank vermindert de aanslag dienovereenkomstig en veroordeelt de inspecteur tot betaling van wettelijke rente.

Inspecteur wil terugkomen op afspraak

De inspecteur gaat in hoger beroep. Hij stelt dat het overeengekomen bedrag van € 855 inclusief aftrek van bankkosten is berekend. Op 6 juni 2024 oordeelt de Hoge Raad echter dat bij de vaststelling van het werkelijk rendement geen rekening mag worden gehouden met kosten. Volgens de inspecteur moet het werkelijk rendement daarom € 1.738 bedragen in plaats van € 855.

Afspraak blijft gelden

Het hof houdt de inspecteur aan de afspraak. De man en de inspecteur wilden het geschil afronden en onzekerheid voorkomen. Daarmee hebben zij een bindende afspraak gesloten. De inspecteur heeft niet aangevoerd dat deze afspraak nietig of vernietigbaar is. Door akkoord te gaan, heeft hij ook het risico geaccepteerd dat latere rechtspraak anders zou uitpakken. 

Geen rentevergoeding

Op één punt krijgt de inspecteur wel gelijk. De rechtbank had bepaald dat hij wettelijke rente moest betalen over de periode tussen betaling en teruggaaf. Het hof vernietigt dit deel van de uitspraak. Volgens de Hoge Raad biedt de vermindering van belasting al voldoende herstel, ook zonder rente. Alleen als de rente hoger is dan de vermindering, geldt een uitzondering. Daarvan is hier geen sprake.

Compromis is compromis

Deze uitspraak bevestigt dat een compromis bindend is, ook als latere rechtspraak een gunstigere uitkomst oplevert. Dat geldt voor beide partijen. Wie zekerheid koopt, aanvaardt de kans dat het achteraf anders had gekund.

Bron:Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:805 | 24-03-2026

Een bv ontvangt € 3,5 miljoen dubbel terug na een jarenlange procedure over verliesverrekening. Het systeem van de Belastingdienst 'vergeet' dat de voorlopige teruggaven al eerder waren teruggevorderd. De inspecteur corrigeert de fout via navorderingsaanslagen. De bv stelt dat navordering op een verliesverrekeningsbeschikking niet mogelijk is. De rechter oordeelt anders. Een automatiseringsfout bij verliesverrekening kan worden hersteld via navordering.

Verlies eerst afgewezen, later alsnog geaccepteerd

De bv doet in 2011 aangifte vpb 2010 met een verlies van € 17,3 miljoen. Zij vraagt voorlopige verliesverrekening (carry-back) naar de jaren 2007, 2008 en 2009. De inspecteur verleent voorlopige teruggaven van in totaal € 3,5 miljoen. In 2014 legt de inspecteur de definitieve aanslag 2010 op naar een positief belastbaar bedrag. Hij accepteert het verlies niet en vordert de voorlopige teruggaven terug via die aanslag. De bv gaat in beroep en krijgt na een procedure tot aan de Hoge Raad in 2022 alsnog gelijk.

Systeem genereert dubbele teruggaaf

De inspecteur moet nu alsnog definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen afgeven. Een medewerker voert het verlies in het systeem in. Het systeem maakt automatisch beschikkingen aan, maar houdt geen rekening met het feit dat de voorlopige teruggaven al waren teruggevorderd in 2014. Resultaat: de bv ontvangt opnieuw € 3,5 miljoen. Uit een interne e-mail blijkt dat de medewerker niets kon aanpassen aan de verrekening van de voorlopige teruggaven. Het systeem bevatte die informatie niet meer.

Geen nieuw feit, wel kenbare fout

De inspecteur kan in deze zaak niet navorderen op grond van een nieuw feit. De inspecteur wist immers wat er was gebeurd. Hij wijkt daarom uit naar navordering wegens een kenbare fout. De bv stelt dat een verliesverrekeningsbeschikking geen belastingaanslag is en dat navordering langs die weg niet mogelijk is. De rechtbank verwerpt dit. 

Automatiseringsfout, geen beoordelingsfout

De bv stelt verder dat sprake is van een beoordelingsfout die niet via navordering kan worden hersteld. De rechtbank oordeelt anders. De fout is veroorzaakt door de geautomatiseerde verwerking, niet door een onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of het recht. Dat de betrokken medewerkers het probleem onderkenden maar niet handmatig konden ingrijpen, maakt dit niet anders. De fout was bovendien kenbaar voor de bv: zij ontving € 3,5 miljoen dubbel.

Systeemrisico's niet voor rekening samenleving

De rechtbank verwijst naar de parlementaire geschiedenis. Fouten als gevolg van de geautomatiseerde werkwijze behoren niet geheel voor rekening van de Belastingdienst te blijven. Het financiële gewin van een individuele belastingplichtige bij een kenbare fout mag niet worden afgewenteld op de samenleving. De navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd.

Bron:Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:3214 | 10-03-2026

De bedragen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag worden halfjaarlijks gewijzigd. Per 1 juli 2026 bedraagt het minimumuurloon voor iemand van 21 jaar of ouder € 14,99.

Minimumjeugdloon

Voor mensen die jonger zijn dan 21 jaar, gelden van het wettelijk minimumuurloon afgeleide bedragen.

Leeftijd Staffeling Per uur

21 jaar en ouder

100,0%

€ 14,99

20 jaar

80,0%

€ 11,99

19 jaar

60,0%

€ 8,99

18 jaar

50,0%

€ 7,50

17 jaar

39,5%

€ 5,92

16 jaar

34,5%

€ 5,17

15 jaar

30,0%

€ 4,50

Bbl

Voor werknemers, die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl), gelden in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar afwijkende bedragen.

Leeftijd Staffeling Per uur

 20 jaar

 61,5% 

 € 9,22 

 19 jaar

 52,5% 

 € 7,87 

 18 jaar

 45,5% 

 € 6,82 

Referentiemaandloon

Het referentiemaandloon, dat wordt gebruikt voor het vaststellen van de hoogte en de indexatie van diverse uitkeringen, bedraagt per 1 juli 2026 bruto € 2.337,00 per maand.

Bron:Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | wetswijziging | 23-04-2026

Een gemachtigde dient hoger beroep in met een twee jaar oude doorlopende volmacht. Het hof vraagt om een recente machtiging. De gemachtigde weigert dit en wordt vervolgens niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad oordeelt dat de bestuursrechter altijd om een recente machtiging mag vragen. Hij hoeft daarvoor geen aanwijzingen te hebben dat de eerdere volmacht is geëindigd. De Hoge Raad komt hiermee terug van een arrest uit 2013.

Doorlopende volmacht uit 2022

Een no-cure-no-pay-bureau dient hoger beroep in tegen een WOZ-beschikking voor 2022. Bij het hogerberoepschrift overlegt het bureau een machtiging van 28 februari 2022. Die machtiging is in algemene termen geformuleerd. De belanghebbende machtigt medewerkers van het bureau om hem te vertegenwoordigen in ‘alle zaken betreffende de aanslag lokale belastingen en de daarop vermelde WOZ-beschikking(en)’. Het hof twijfelt of het bureau bevoegd is om de belanghebbende te vertegenwoordigen. Die twijfel baseert het hof op het tijdsverloop sinds de machtiging en op het algemene karakter ervan.

Verkeerde machtiging overgelegd

Het hof vraagt om een recente machtiging. Het bureau krijgt daartoe tweemaal de gelegenheid. Uiteindelijk stuurt het een machtiging van 18 maart 2024. Die is weliswaar recent, maar ziet op de WOZ-beschikking 2024, terwijl het geschil de WOZ-beschikking 2022 betreft. Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het bureau gaat in cassatie.

Hoge Raad komt terug van eerder arrest

De Hoge Raad oordeelt dat de bestuursrechter eisen mag stellen aan de machtiging. Hij mag vragen om een recente machtiging. Hij mag ook vragen om een machtiging die dateert van ná de bestreden uitspraak of die specifiek ziet op de procedure bij zijn gerecht. Daarvoor is niet vereist dat de rechter aanwijzingen heeft dat de eerdere volmacht is geëindigd. De Hoge Raad komt hiermee uitdrukkelijk terug van zijn arrest uit 2013.

Voorzichtigheid bij procesrechtelijke volmacht

De Hoge Raad motiveert zijn koerswijziging als volgt. De bepalingen over volmacht uit het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn buiten het vermogensrecht slechts van overeenkomstige toepassing voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Uit de parlementaire toelichting blijkt dat men met overeenkomstige toepassing op procesrechtelijke rechtshandelingen "uitermate voorzichtig" moet zijn. Dat rechtvaardigt dat de rechter strengere eisen stelt dan het BW voorschrijft.

Ook in bezwaar en cassatie

De Hoge Raad benadrukt dat deze regels gelden in bezwaar, beroep, hoger beroep én cassatie. Wie als gemachtigde optreedt, doet er goed aan te zorgen voor een actuele en specifieke machtiging. Een doorlopende volmacht van jaren geleden volstaat niet zonder meer.

Bron:Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:556 | 16-04-2026

Een ambtenaar koopt jarenlang privégoederen op kosten van zijn werkgever. Hij schakelt daarbij een kantoorinrichtingsbedrijf in als doorgeefluik. Dat bedrijf betaalt de leveranciers, factureert door aan de gemeente met een opslag en trekt de btw op de inkoopfacturen af. De inspecteur weigert de aftrek en heft de aan de gemeente gefactureerde btw na. Hof 's-Hertogenbosch geeft de inspecteur gelijk. Het bedrijf is geen afnemer van de leveranciers en kan de ten onrechte gefactureerde btw niet herzien.

Ruim acht ton aan privé aankopen

De ambtenaar is hoofd interne diensten bij een gemeente. In die functie kan hij inkoopopdrachten verstrekken en facturen betaalbaar stellen. Hij maakt daar op grote schaal misbruik van. Hij bestelt privégoederen bij leveranciers en laat de facturen richten aan een kantoorinrichtingsbedrijf dat vaste leverancier is van de gemeente. Vervolgens vraagt hij dat bedrijf de facturen te betalen, een nieuwe factuur op te maken met een opslag van ongeveer 10% en die aan de gemeente te sturen. Hij verstrekt daarvoor opdrachtbevestigingen met vage omschrijvingen als ‘gedane werkzaamheden’ of ‘geleverde materialen’. Over de jaren 2013 tot en met 2016 gaat het om ruim € 862.000.

Geen afnemer, geen aftrek

Het hof oordeelt dat het bedrijf geen afnemer is van de leveranciers. De ambtenaar heeft zelf contact gelegd met de leveranciers en de overeenkomsten gesloten. Het bedrijf was slechts betrokken bij de administratieve en financiële afhandeling. Dat maakt het bedrijf geen commissionair. De tussenkomst ziet immers niet op de totstandkoming van de prestaties, maar op de afwikkeling van prestaties die al tot stand waren gekomen. Het bedrijf heeft daarom geen recht op aftrek van de btw die de leveranciers in rekening hebben gebracht.

Geen herziening wegens ongerechtvaardigde verrijking

Het bedrijf heeft de gemeente btw in rekening gebracht terwijl het zelf geen prestaties heeft verricht. Die btw moet zij op grond van de wet afdragen. Het hof wijst het verzoekt om herziening van die btw af. Het bedrijf heeft de facturen niet gecorrigeerd. Als de btw zou worden herzien, zou het bedrijf die btw als opbrengst verkrijgen, terwijl het aan de gemeente kenbaar had gemaakt dat de btw op aangifte zou worden voldaan. Dat levert ongerechtvaardigde verrijking op.

Suggestie van het hof

Het resultaat is een zware financiële last voor het bedrijf: geen aftrek van voorbelasting en tegelijk afdracht van de aan de gemeente gefactureerde btw. Bovendien eist de gemeente een schadevergoeding in een civiele procedure. Het hof geeft de inspecteur in overweging een eventuele schadevergoeding aan de gemeente in mindering te brengen op de naheffingsaanslag. Voor dat bedrag is dan immers geen sprake meer van ongerechtvaardigde verrijking. Tot een compromis is het echter niet gekomen.

Bron:Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:741 | 17-03-2026

Een dga stelt dat zijn bv structureel verlies lijdt en dat daarom geen gebruikelijk loon in aanmerking hoeft te worden genomen. Hof Amsterdam gelooft hem niet. De aangiften vennootschapsbelasting (vpb) tonen jarenlang kosten die nagenoeg exact gelijk zijn aan de omzet. Dat is zonder nadere toelichting onwaarschijnlijk. Bovendien ontbreken banksaldi en eigen vermogen op de balansen, terwijl de bv wel een bankrekening heeft.

Geen aangifte loonheffingen

De bv verhuurt onroerend goed. De dga is enig aandeelhouder en bestuurder. Hij verricht werkzaamheden voor de bv, waaronder het aangaan van huur- en koopovereenkomsten. De bv heeft zich niet aangemeld als inhoudingsplichtige en heeft geen aangiften loonheffingen ingediend. De dga ontvangt wel loon via een payrollbedrijf, maar die loonkosten zijn niet doorberekend aan de bv. De inspecteur legt een naheffingsaanslag op van € 13.210, gebaseerd op een gebruikelijk loon van € 28.125 over 2017 en 2018 gezamenlijk. Daarbij past de inspecteur een deeltijdfactor van 50% toe.

Beroep op structureel verlies

De bv stelt dat zij in de betreffende jaren geen winst heeft behaald en dat op die grond geen gebruikelijk loon in aanmerking hoeft te worden genomen. De omzet schommelt volgens de bv al jaren rond de € 17.000. De inspecteur betwist dit. Uit de aangiften vennootschapsbelasting over 2019 tot en met 2024 blijkt dat de omzet beduidend hoger is: tussen de € 25.000 en € 66.000 per jaar.

Onwaarschijnlijke kostenpatronen

Het hof oordeelt dat de bv niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een langdurige verliessituatie. In de aangiften vennootschapsbelasting over 2019 tot en met 2024 zijn de kosten telkens nagenoeg gelijk aan de omzet. Dat is zonder adequate toelichting van de bv op z’n minst genomen onwaarschijnlijk. Bovendien bevatten de balansen geen banksaldi, terwijl vaststaat dat de bv wel een bankrekening heeft. Ook ontbreekt een eigen vermogen op de balansen. De bv heeft voor deze constateringen geen adequate verklaring gegeven.

Inspecteur vpb nam gebruikelijk loon als kosten

De inspecteur loonheffingen heeft telefonisch contact gehad met de inspecteur vpb. Die verklaarde dat bij de aanslagen vpb over 2019, 2020 en 2021 de door de bv opgevoerde kosten afdoende onderbouwing missen. De inspecteur heeft daarom in elk van die jaren een gebruikelijk loon als kosten in aanmerking genomen. Daarvan uitgaande is een structureel verlies voor die jaren niet aannemelijk geworden.

Onderbouw de verliessituatie

Deze uitspraak laat zien dat een beroep op een structurele verliessituatie om het gebruikelijk loon te verlagen een goede onderbouwing vereist. Aangiften waarin de kosten telkens exact gelijk zijn aan de omzet roepen vragen op. Incomplete balansen versterken het wantrouwen. 

Bron:Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2025:3817 | 20-10-2025

Een vrouw moet haar huurtoeslag over 2021 terugbetalen, omdat haar box 3-vermogen te hoog is. Om haar vermogen te verlagen, probeert zij vooruitbetaalde zorgpremies als schuld op te voeren.

Aangifte en huurtoeslag

Voor het jaar 2021 doet de vrouw aangifte met een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil, gebaseerd op bezittingen van € 36.342 en geen aftrekbare schulden. De definitieve aanslag wordt conform deze aangifte opgelegd. Later ontvangt zij de definitieve berekening van haar huurtoeslag over 2021, die op € 0 wordt vastgesteld, omdat haar vermogen te hoog is. Voor alleenstaanden geldt in 2021 een vermogensgrens van € 31.340 voor de huurtoeslag. 

Verzoek om schuldenaftrek

De vrouw dient een bezwaar in. Zij wil een DUO-schuld van € 4.671 en een creditcardschuld van € 1.952 in aanmerking nemen. Later voegt zij hieraan een schuld van € 1.805 toe voor de vooruitbetaalde zorgverzekeringspremies voor 2021. De vrouw heeft in 2020 toegezegd de premie voor 2021 ineens te betalen. De inspecteur verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk, behandelt het als verzoek om ambtshalve vermindering en neemt de DUO- en creditcardschuld mee (na toepassing van de schuldendrempel), maar de zorgpremies niet. De rendementsgrondslag wordt vastgesteld op € 32.909. Nog steeds boven de vermogensgrens voor de huurtoeslag.

Geen schuld

De rechtbank oordeelt dat voor een box 3-schuld is vereist dat deze op de peildatum (1 januari 2021) bestaat en een waarde in het economische verkeer heeft. Op 1 januari 2021 bestaat er, ondanks de toezegging, nog geen verplichting tot betaling van de zorgpremies. Bovendien vormt de zorgverzekering een samenhangend geheel van rechten en verplichtingen (premie versus dekking). Zolang het recht op dekking en de verplichting tot betaling beide bestaan, vertegenwoordigt dit per saldo geen waarde in het economische verkeer. De vooruitbetaalde zorgpremie is daarom geen aftrekbare schuld in box 3. De rechtbank ziet geen aanleiding om de wettelijke box 3-regels, inclusief de schuldendrempel, buiten beschouwing te laten vanwege de invloed op toeslagen.

Bron:Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:2033 | 22-03-2026

Een vrouw ontvangt een AOW-uitkering van slechts € 328 per jaar. Daarnaast ontvangt zij ruim € 26.000 aan Duits pensioen. Door die minimale AOW is zij in Nederland verzekerd voor de Zorgverzekeringswet (Zvw). De Zvw-heffing wordt berekend over haar volledige inkomen, inclusief het Duitse pensioen. Zij vraagt de SVB om de AOW met terugwerkende kracht stop te zetten, maar dient haar bezwaar te laat in. De belastingrechter kan haar niet helpen.

Geen ontheffing Zvw

De vrouw woont in Nederland en ontvangt pensioen uit Duitsland. In 2007 verleent de SVB haar ontheffing van de verplichte verzekering voor de AOW, de Algemene nabestaandenwet en de Algemene Kinderbijslagwet. Die ontheffing geldt echter niet voor de AWBZ en evenmin voor de Zvw. Zij ontvangt een kleine AOW-uitkering van € 328 per jaar. Die uitkering maakt haar verzekeringsplichtig voor de Zvw. De inspecteur legt een aanslag Zvw op over een bijdrage-inkomen van € 26.258, het totaal van haar Duitse pensioenuitkeringen.

Bezwaar bij SVB te laat

De vrouw vraagt de SVB om de AOW-uitkering te beëindigen. De SVB stopt de uitkering per 1 december 2023, maar weigert terugwerkende kracht tot 2019. De vrouw maakt bezwaar tegen die weigering, maar dient het bezwaar te laat in. De rechtbank verklaart haar beroep ongegrond. Vervolgens wendt zij zich tot de belastingrechter met het verzoek om de SVB op te dragen de uitkering alsnog met terugwerkende kracht stop te zetten.

Inspecteur gaf tijdig advies

De vrouw stelt ook dat de inspecteur haar had moeten wijzen op de mogelijkheid om bij de SVB ontheffing te vragen. Het hof verwerpt dit. De inspecteur heeft haar gemachtigde al op 23 oktober 2023 per e-mail geadviseerd om de SVB te vragen de verzekeringsplicht stop te zetten en te vragen of de ontvangen AOW-uitkering terugbetaald kan worden. Dat was ruim vóór de aanslag van 28 november 2023. Van een tekortkoming in de voorlichtende taak is dan ook geen sprake.

Belastingrechter niet bevoegd

Het hof oordeelt dat de aanslag Zvw rechtmatig is. De vrouw is verzekerd, dus is zij de bijdrage verschuldigd. Het hof is als belastingrechter niet bevoegd om de SVB op te dragen de verzekeringsplicht met terugwerkende kracht stop te zetten. Tegen beslissingen van de SVB staan rechtsmiddelen open bij de algemene bestuursrechter. De vrouw heeft die route bewandeld, maar haar bezwaar was te laat.

Termijnen zijn streng

Deze uitspraak illustreert hoe een kleine AOW-uitkering grote fiscale gevolgen kan hebben. Door de verzekeringsplicht die voortvloeit uit die uitkering wordt het volledige buitenlandse pensioen in de Zvw-heffing betrokken. Wie dat wil voorkomen, moet tijdig actie ondernemen bij de SVB. Een te laat ingediend bezwaar sluit de deur naar een inhoudelijke beoordeling.

Bron:Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:740 | 17-03-2026

Een krantenbezorger rijdt jaarlijks ruim 20.000 kilometer met zijn eigen auto, zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. In zijn aangifte brengt hij 40 cent per kilometer in aftrek. De inspecteur staat slechts 19 cent toe. De bezorger distribueert kranten naar depots en bezorgt kranten aan huis. In 2018 rijdt hij hiervoor 20.916 kilometer met zijn privéauto. Hij ontvangt geen kilometervergoeding. In zijn aangifte brengt hij € 8.367 aan autokosten in aftrek, gebaseerd op 40 cent per kilometer volgens de ANWB-tool. Dat bedrag is volgens hem eigenlijk nog te laag, omdat krantenbezorging door het vele starten en stoppen tot extra slijtage leidt.

Wet maximeert aftrek

De bezorger beroept zich op het Convenant Uitgeefsector, waarin staat dat de werkelijk gemaakte kosten in aanmerking moeten worden genomen. Het hof gaat hier niet in mee. Die bepaling geldt voor opdrachtgevers, niet voor opdrachtnemers. Voor de inkomstenbelasting maximeert de wet de aftrek, voor een tot het privévermogen behorend vervoermiddel, op 19 cent per kilometer. Het doet er niet toe dat de werkelijke kosten hoger zijn. De aftrek blijft beperkt tot € 3.974.

Expliciet voorbehoud voorkomt vertrouwen

De bezorger beroept zich ook op het vertrouwensbeginsel. De inspecteur heeft in een eerdere procedure over 2017 zijn aangifte gevolgd. Het hof gaat hier evenmin in mee. De inspecteur heeft destijds expliciet verklaard: ‘Voor dit jaar wil ik de kosten accepteren. Omdat het doorspeelt naar volgende jaren, kunnen er geen rechten aan deze toezegging worden ontleend’. Aan die uitlating kan de bezorger geen vertrouwen ontlenen voor latere jaren.

Twee lessen

Deze uitspraak illustreert twee punten. Ten eerste past de rechter de wettelijke maximering van de kilometervergoeding strikt toe, ongeacht de werkelijke kosten. Ten tweede voorkomt een expliciet voorbehoud bij een toezegging dat de belastingplichtige daaraan vertrouwen kan ontlenen voor latere jaren.

Bron:Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:879 | 31-03-2026