Per 1 september 2026 wordt het tarief van de vrachtwagenheffing met 22,3% verlaagd. De vrachtwagenheffing treedt op 1 juli 2026 in werking en geldt voor alle vrachtwagens, zowel uit binnen- als buitenland. Eigenaren van vrachtwagens gaan een bedrag per gereden kilometer betalen. Door de tijdelijke korting daalt het gemiddelde tarief van € 0,191 naar € 0,148 per kilometer. De verlaging geldt voor alle categorieën vrachtwagens en loopt tot eind 2026.
Een yogalerares schrijft zich in februari 2020 in bij de KVK. In haar aangifte vermeldt zij een verlies uit onderneming. Dit bedrag is opgebouwd uit een omzet van € 203, verminderd met zelfstandigenaftrek en startersaftrek en verhoogd met de MKB-winstvrijstelling. Zij vermeldt geen kosten of bedrijfsmiddelen op de balans.
Correctie door de inspecteur
De inspecteur merkt de omzet van € 203 aan als resultaat uit overige werkzaamheden en past de ondernemersfaciliteiten niet toe. De vrouw maakt bezwaar, maar dit wordt ongegrond verklaard. Ook de rechtbank verklaart haar beroep ongegrond.
Winst uit onderneming
Een onderneming vereist een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal die deelneemt aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk om voordeel te behalen. Cruciaal is dat dit voordeel ook redelijkerwijs te verwachten moet zijn. Bij de beoordeling hiervan wordt onder meer gekeken naar de duurzaamheid en omvang van de werkzaamheden, de beschikbare tijd, ondernemersrisico, de omvang van inkomsten en investeringen, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten.
Geen objectieve winstverwachting
De lerares maakt niet aannemelijk dat zij een onderneming drijft. De omzet (van € 203) is marginaal en er zijn geen kosten of investeringen vermeld. Haar urenoverzichten bestaan uit ronde getallen en veel activiteiten zijn als vrijwilligerswerk omschreven. Er is geen kenbaar bedrijfsplan of realistisch doel. Ook uit de aangiften van latere jaren blijkt geen redelijke winstverwachting. Daarom komt de vrouw niet in aanmerking voor de ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek.
Urencriterium
De vrouw stelt dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel schendt, onder meer door haar niet te wijzen op het versoepelde urencriterium en door de uitspraak op bezwaar te snel te doen. De inspecteur heeft echter niet onzorgvuldig gehandeld. Het urencriterium is niet relevant als er geen sprake is van een onderneming. Bovendien heeft de vrouw voldoende tijd gehad om aanvullende informatie te verstrekken, maar heeft zij dit niet gedaan.
Een man start in 2011 met de handel in auto's. Hij schrijft zich in bij de KVK en begint vol goede moed. De handel loopt echter niet goed naast zijn drukke baan in loondienst. Al vanaf het eerste jaar lijdt hij verlies. De omzet daalt van bijna € 98.000 in 2011 naar nihil in 2014. In 2016 en 2017 is er opnieuw geen omzet, maar wel kosten. Wanneer zijn vrouw ernstig ziek wordt, stopt de man definitief. Hij erkent achteraf dat de activiteiten voortkwamen uit een hobby en nooit echt goed van de grond zijn gekomen.
Geen onderzoek
De man dient eind 2017 zijn aangifte 2016 in, met een ondernemingsverlies van ruim € 4.500. De inspecteur legt de aanslag op conform de aangifte. Hij vergelijkt de aangifte niet met de aangiften van voorgaande jaren en doet geen nader onderzoek. Vier maanden later draait de Belastingdienst een landelijke query vanuit het project 'bronbeoordeling en starters'. De man komt in die query terecht. Nu pas besluit de inspecteur te onderzoeken of wel sprake is van een bron van inkomen.
Voordeelverwachting
Voor een bron van inkomen gelden drie vereisten: deelname aan het economisch verkeer, het oogmerk om voordeel te behalen en de objectieve verwachting dat voordeel redelijkerwijs kan worden behaald. Aan de eerste twee vereisten is voldaan. Maar het hof oordeelt dat een objectieve voordeelverwachting ontbreekt. Vanaf de start in 2011 zijn uitsluitend negatieve resultaten behaald bij een omzet die daalde tot nihil. De activiteiten vormen daarom geen bron van inkomen. De verliezen zijn niet aftrekbaar van het inkomen uit werk en woning.
Inspecteur had moeten twijfelen
Een inspecteur moet bij het opleggen van een aanslag de aangifte vergelijken met de gegevens in het dossier, waaronder de aangiften van voorgaande jaren. In die aangiften stond jaar na jaar verlies. De inspecteur had in redelijkheid moeten twijfelen aan de juistheid van het aangegeven ondernemingsverlies. Hij had vóór het opleggen van de aanslag 2016 nader onderzoek moeten doen. Door het nadere onderzoek na te laten begaat hij een ambtelijk verzuim. Dat sluit navordering uit.
Query bevestigt het verzuim
Het hof ziet een bevestiging in het feit dat de inspecteur naar aanleiding van de query wél tot onderzoek overging. Die query bevatte dezelfde informatie over de jarenlange verliezen als de aangiften. Zonder afdoende verklaring valt niet in te zien waarom de query wel aanleiding gaf tot onderzoek en de aangiften niet. De navorderingsaanslag 2016 wordt vernietigd. De aanslag 2017 blijft in stand, want die was nog niet definitief opgelegd toen de inspecteur het onderzoek startte.
Op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is een werkgever van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe zijn werkzaamheden behoren. De Regeling Wfsv bevat een bijlage waarin per sector de bijbehorende bedrijfstakken zijn opgesomd. Als een activiteit hier niet bijstaat, dan worden de werkzaamheden ingedeeld bij de sector waarin de werkzaamheden worden verricht die naar de aard het meest overeenkomen. Dit heet assimilatie. Niet de naam van het bedrijf of de cao is bepalend, maar de feitelijke activiteiten.
Ruwbouw of afbouw?
Een werkgever die spanplafonds plaatst, valt onder de cao afbouw. De Belastingdienst deelt hem toch in bij sector 17: detailhandel en ambachten. De werkgever protesteert. Hij is van mening dat hij hoort bij sector 3: bouwbedrijf. Het hof analyseert de bedrijven in sector 3. Die hebben gemeen dat zij zich richten op de ruwbouw, het constructieve deel van een bouwwerk. Denk aan burgerlijke en utiliteitsbouw, wegenbouw, heiersbedrijven en dakdekkers. Bedrijven die zich richten op afbouw zijn juist ingedeeld bij andere sectoren. Het woningstoffeerdersbedrijf en behangersbedrijf vallen onder sector 17, het schildersbedrijf onder sector 56 en het stukadoorsbedrijf onder sector 57. Dit onderscheid tussen ruwbouw en afbouw blijkt een belangrijk criterium.
Stofferen van plafonds
De werkgever plaatst spanplafonds: plafonds van gespannen kunststofdoek onder bestaande plafonds. Dat is geen ruwbouw. Het hof ziet juist overeenkomst met het woningstoffeerdersbedrijf. De werkgever bekleedt immers ruimten, in het bijzonder plafonds, met een stof, in dit geval kunststof. De indeling bij sector 17 is daarom terecht.
Cao niet van belang
De werkgever voert aan dat hij onder de cao afbouw valt. Het hof passeert dit argument. Bij de sectorindeling is niet van belang onder welke cao de werkgever valt. Het gaat uitsluitend om de aard van de werkzaamheden. Dit is een belangrijk punt voor werkgevers die denken dat hun cao-indeling automatisch ook hun sectorindeling bepaalt. Dat is niet zo.
En systeemplafonds dan?
De werkgever beroept zich ook nog op het gelijkheidsbeginsel. De Belastingdienst hanteert beleid waarin systeemplafonds wél bij de bouw worden ingedeeld. Waarom spanplafonds dan niet? Het hof oordeelt dat spanplafonds en systeemplafonds verschillende systemen zijn met verschillende werkzaamheden. Van gelijke gevallen is geen sprake. Een beroep op beleid voor vergelijkbare bedrijven slaagt alleen als de werkzaamheden ook echt vergelijkbaar zijn.
Een ontvanger die uitstel van betaling verleent, moet rekening houden met de belangen van derden die aansprakelijk kunnen worden gesteld. Hij mag niet met minder zekerheid genoegen nemen dan hij zou doen als er geen derden aansprakelijk gesteld kunnen worden. Doet hij dat toch, dan verliest hij de bevoegdheid om die derden aan te spreken. De bewijslast ligt bij de ontvanger. Hij moet aantonen dat niet meer zekerheid te krijgen was.
Betalingsproblemen vanaf het begin
Een transportbedrijf leent personeel in van een uitzendbureau. Het uitzendbureau gaat failliet met onbetaalde belastingschulden. Het uitzendbureau kende al sinds de oprichting in 2015 betalingsproblemen. In 2017 verleent de ontvanger uitstel van betaling voor ruim € 644.000 aan belastingschulden. Hij bedingt zekerheid via een pandrecht op vorderingen en spreekt een betalingsregeling af van € 75.000 per maand. Het uitzendbureau houdt zich aan de regeling tot mei 2018. Dan stoppen de betalingen. De ontvanger trekt het uitstel in en start de dwanginvordering.
Factoringovereenkomst nooit opgevraagd
In september 2018 legt de ontvanger beslag op de inventaris van het uitzendbureau. Die wordt later verkocht voor nog geen € 8.000. Er volgen gesprekken. Het uitzendbureau biedt een debiteurenlijst van € 4,5 miljoen als zekerheid aan. De ontvanger vraagt om de factoringovereenkomst, maar het uitzendbureau stuurt die niet. Toch accepteert de ontvanger in november 2018 een pandrecht op de vorderingen. Hij vertrouwt op de verklaring van het uitzendbureau dat de vorderingen niet al zijn bezwaard.
Pandrecht blijkt waardeloos
Het uitzendbureau komt de betaalafspraken niet na. Er volgt een kort geding. Het uitzendbureau zou € 6,9 miljoen betalen, maar dat blijft uit. De ontvanger maakt het pandrecht openbaar en vraagt het faillissement aan. In maart 2019 is het uitzendbureau failliet. Dan blijkt dat het uitzendbureau al in 2017 een groot deel van haar vorderingen had gecedeerd aan een Luxemburgse vennootschap. Het pandrecht was dus grotendeels waardeloos. In juli 2022 stelt de ontvanger het transportbedrijf aansprakelijk voor ruim € 109.000 aan onbetaalde loon- en omzetbelasting.
Ontvanger had moeten doorvragen
De ontvanger wist al in september 2018 van de factoringovereenkomst. Hij heeft die overeenkomst nooit ontvangen, maar toch een pandrecht geaccepteerd. Van een zorgvuldig handelend ontvanger mag worden verwacht dat hij nagaat of de verpander bevoegd is. De verwijzing naar de verklaring van het uitzendbureau is onvoldoende. De ontvanger heeft feitelijk uitstel van betaling verleend zonder adequate zekerheid.
Bevoegdheid tot aansprakelijkstelling verloren
De ontvanger maakt niet aannemelijk dat hij niet met minder zekerheid genoegen heeft genomen dan van hem verwacht mocht worden. Hij heeft ook niet aangetoond dat geen andere zekerheden te bedingen waren. Het hof oordeelt dat de ontvanger de bevoegdheid heeft verloren om het transportbedrijf aansprakelijk te stellen. De beschikking aansprakelijkstelling wordt vernietigd.
Een turboliquidatie is een snelle manier om een bv, nv, stichting of andere rechtspersoon te ontbinden. Dit kan alleen als er geen baten meer in de onderneming zitten. Dat wil zeggen dat de rechtspersoon geen activiteiten meer uitvoert én geen bezittingen meer heeft. Een stichting voor postduivenfokkers wordt in 2017 op deze manier ontbonden. Althans, dat was de bedoeling. De inspecteur legt navorderingsaanslagen op van ruim € 350.000. Kunnen die aanslagen nog wel worden opgelegd aan een rechtspersoon die is opgehouden te bestaan?
Ontbinding zonder vereffening
De stichting is opgericht in 2012. Haar doel is het bevorderen van het fokken en het beschermen van postduiven. De bestuurders zijn een man, zijn echtgenote en zijn zus. Op 31 december 2017 besluit het bestuur tot ontbinding. Bij de Kamer van Koophandel vult het bestuur formulier 17a in. Daarin staat dat de stichting geen baten heeft. Een vereffening vindt niet plaats.
Aangiften vertellen een ander verhaal
De stichting dient na de ontbinding nog aangiften vpb in. In de aangifte over 2017 staat € 19.449 aan activa vermeld. Ook in de aangiften over 2018 en 2019 staat dit bedrag, nu als liquide middelen. Dat is opmerkelijk voor een rechtspersoon die zegt geen baten te hebben. De FIOD verstrekt informatie aan de inspecteur en een boekenonderzoek volgt. Op 17 december 2019 legt de inspecteur navorderingsaanslagen vpb op over 2014 en 2015 en een aanslag over 2016. De belastingdeurwaarder betekent de aanslagen aan de bestuurder op het laatst bekende adres.
Registratie KVK is geen bewijs
Het hof oordeelt dat de registratie bij de KVK niet bewijst dat de rechtspersoon daadwerkelijk is opgehouden te bestaan. Die mededeling moet ook juist zijn. Partijen kunnen het vermoeden dat de mededeling juist is, ontzenuwen. De inspecteur slaagt daarin. Uit de aangiften over 2017, 2018 en 2019 blijkt dat de stichting wel degelijk baten had. In 2023 stonden nog steeds twee bankrekeningen op haar naam met een totaalsaldo van ruim € 19.000.
Turboliquidatie werkt alleen zonder baten
De stichting stelt dat zij een turboliquidatie heeft toegepast. Daarmee staat volgens het hof vast dat het vermogen niet is vereffend. Een turboliquidatie werkt alleen als er werkelijk geen baten zijn. Dat was hier niet het geval. De stichting wist, óf had moeten weten, dat de mededeling aan de Kamer van Koophandel niet juist was. Zij diende immers zelf na de ontbinding nog aangiften vpb in, waarin zij activa vermeldde. Een beroep op het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel slaagt daarom niet. De stichting is ontbonden maar niet opgehouden te bestaan.
Twee broers drijven een koolverwerkingsbedrijf in maatschapsvorm. Op 30 maart 2020 voeren zij een omvangrijke herstructurering door. Ieder richt een persoonlijke holding op en brengt zijn maatschapsaandeel daarin in. De holdings richten vervolgens een gezamenlijke bv op waarin zij ieder 50% van de aandelen houden. De holdings brengen vervolgens hun maatschapsaandeel in die gezamenlijke bv in. Die bv richt op haar beurt een werk-bv op en brengt de onderneming daarin in. Het bedrijfspand met stille reserves blijft achter in de gezamenlijke bv. Dit alles gebeurt op dezelfde dag.
Geheel van rechtshandelingen
De inspecteur wijst het verzoek om geruisloze omzetting af. De inbreng maakt deel uit van een geheel van rechtshandelingen, gericht op overdracht van de onderneming. De geruisloze omzetting vereist dat de onderneming wordt voortgezet door de entiteit waarin wordt ingebracht. In dit geval is dat de persoonlijke holding, maar die zet de onderneming niet voort. De onderneming belandt uiteindelijk in de werk-bv.
Geen fiscale eenheid, geen bedrijfsfusie
Het Besluit geruisloze omzetting biedt een escape: de dooroverdracht staat niet in de weg aan de faciliteit als sprake is van een fiscale eenheid of een bedrijfsfusie. Bij een belang van 50% is een fiscale eenheid tussen de persoonlijke holding en de gezamenlijke bv echter niet mogelijk. De bedrijfsfusiefaciliteit biedt evenmin soelaas. Door de onmiddellijke doorinbreng bij de holdings is geen sprake van een uit organisatorisch oogpunt onafhankelijke exploitatie. Het achtergebleven bedrijfspand kwalificeert niet als tak van bedrijvigheid.
Fout van de adviseur
De broers doen een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Materieel gaat geen belastingclaim verloren. Bovendien heeft hun adviseur verzuimd tijdig een fiscale eenheid aan te vragen. Dat kan hen toch niet worden aangerekend? De rechtbank gaat hier niet in mee. De inspecteur heeft bij de toepassing van het Besluit geruisloze omzetting geen discretionaire bevoegdheid. Het Besluit biedt geen ruimte voor een belangenafweging. De inspecteur toetst alleen of aan de voorwaarden is voldaan. Dat is niet het geval. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt eveneens. Dat de inspecteur de aanslag aan de gezamenlijke bv conform de aangifte heeft opgelegd, kan bij de broers geen vertrouwen wekken.
Een bv draagt jarenlang Nederlandse btw af voor afstandsverkopen aan Belgische particulieren. Achteraf blijkt dat de omzetdrempel voor afstandsverkopen is overschreden, waardoor de btw in België verschuldigd is. De Belgische Belastingdienst legt naheffingsaanslagen op, die de bv betaalt. De bv dient vervolgens suppletieaangiften in en vraagt de in Nederland afgedragen btw terug. De inspecteur betaalt een bedrag van € 1,4 miljoen terug.
De bv verzoekt vervolgens om vergoeding van invorderingsrente over de terugbetaalde bedragen. De ontvanger wijst dit verzoek af, omdat het niet tijdig is ingediend. De rechtbank verklaart de beroepen van de bv gegrond en kent een rentevergoeding toe. In hoger beroep stelt de ontvanger dat de verantwoordelijkheid voor de juiste btw-afdracht bij de bv zelf ligt. De foutieve toepassing van de regeling voor afstandsverkopen is geheel te wijten aan de bv. Volgens de ontvanger hoeft hij geen invorderingsrente te vergoeden, omdat de belasting niet in strijd met het Unierecht is geheven.
Voor de vraag of belasting in strijd met het Unierecht is geheven, is het arrest 'Dinkelland' relevant, zo oordeelt het hof. Het hof leidt hieruit af dat het wel degelijk van belang is of de ondernemer een verwijt kan worden gemaakt. In deze zaak is niet in geschil dat de aanvankelijk aangegeven en afgedragen btw een vergissing van de bv was en niet te wijten aan de inspecteur. Hoewel 'Dinkelland' over voorbelasting ging, ziet het hof geen reden om een onderscheid te maken. De teruggegeven btw kwalificeert daarom niet als in strijd met het Unierecht geheven belasting. De bv heeft geen recht op vergoeding van invorderingsrente.
Een bestuurder van een transportbedrijf wordt aansprakelijk gesteld voor bijna € 730.000 aan onbetaalde loonheffing en omzetbelasting. Hij stelt dat hij tijdig melding van betalingsonmacht heeft gedaan. De rechtbank oordeelt echter dat dit niet het geval is. Het verzoek om corona-uitstel is ingediend op basis van een onjuiste reden. Daarnaast is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Terwijl de belastingschulden oplopen, ontvangt de bestuurder ruim € 470.000 van groepsvennootschappen zonder dat duidelijk is waarvoor.
Sterke groei, geen belasting betaald
Het transportbedrijf wordt opgericht in augustus 2020 en groeit snel. De omzet stijgt van € 1,5 miljoen in 2020 naar bijna € 9 miljoen in 2023. Tegelijk blijven aanzienlijke bedragen aan loonheffing en omzetbelasting onbetaald. In januari 2022 vraagt het bedrijf corona-uitstel aan vanwege terugvallende opdrachten. De Belastingdienst verleent dit uitstel, maar trekt het later in, omdat onvoldoende uitleg wordt gegeven over de relatie met corona.
Corona-uitstel op verkeerde gronden
De bestuurder stelt dat het verzoek om corona-uitstel geldt als melding van betalingsonmacht. De rechtbank verwerpt dit standpunt. De opgegeven reden blijkt onjuist in het licht van de sterke omzetgroei. Daardoor geldt het verzoek niet als een geldige melding. Een later verzoek om een betalingsregeling van 1 mei 2023 wordt wel als melding gezien, maar dit is alleen tijdig voor de maanden februari en maart 2023.
Geen redelijk handelend bestuurder
Ook voor deze maanden blijft de bestuurder aansprakelijk. De rechtbank oordeelt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De bestuurder is op de hoogte van de belastingschulden en ontvangt hierover meerdere overzichten. Toch blijven aangiften uit of worden te laat ingediend en lopen de schulden verder op. Tegelijkertijd wordt € 3,8 miljoen overgeboekt naar gelieerde vennootschappen. Volgens de bestuurder zijn deze betalingen nodig voor de continuïteit van de groep, maar een groot deel van het geld komt uiteindelijk bij hemzelf terecht.
Ruim vier ton zonder verklaring
In drie jaar tijd ontvangt de bestuurder € 723.567 op zijn privérekening vanuit groepsvennootschappen. Hiervan betreft € 253.108 nettoloon. Voor het resterende bedrag van € 470.459 geeft hij geen verklaring. Ook uit bankafschriften blijkt niet waarvoor deze bedragen zijn betaald. De rechtbank acht aannemelijk dat een groot deel van dit bedrag indirect afkomstig is van het transportbedrijf en kwalificeert deze betalingen als onzakelijk.
Niet-bestaande jurisprudentie
Opvallend is dat de rechtbank een deel van het beroepschrift buiten beschouwing laat. Het bevat meerdere foutieve en niet-bestaande verwijzingen naar jurisprudentie. De rechtbank laat de stellingen die daarop zijn gebaseerd buiten beschouwing. Het patroon van niet-bestaande arresten met plausibel klinkende vindplaatsen doet denken aan AI-hallucinaties. De rechtbank zegt het niet met zoveel woorden, maar de boodschap is helder: controleer uw bronnen.
Tijdens een rechtszaak komt een man met de inspecteur overeen dat zijn werkelijk rendement in box 3 € 855 bedraagt. Enkele maanden later oordeelt de Hoge Raad dat bij de vaststelling van het werkelijk rendement geen rekening mag worden gehouden met kosten. De inspecteur wil het compromis vervolgens openbreken, maar het hof houdt hem aan de afspraak. Wie een compromis sluit, aanvaardt de kans dat latere jurisprudentie anders uitpakt.
Overeenstemming ter zitting
De aanslag IB/PVV 2018 vermeldt een box 3-inkomen van € 147.253. De inspecteur vermindert dat bedrag later naar € 63.621. De man is het daar niet mee eens en gaat in beroep. Tijdens de zitting bij de rechtbank bereiken zij overeenstemming. Zij stellen het werkelijk rendement vast op € 855. De rechtbank vermindert de aanslag dienovereenkomstig en veroordeelt de inspecteur tot betaling van wettelijke rente.
Inspecteur wil terugkomen op afspraak
De inspecteur gaat in hoger beroep. Hij stelt dat het overeengekomen bedrag van € 855 inclusief aftrek van bankkosten is berekend. Op 6 juni 2024 oordeelt de Hoge Raad echter dat bij de vaststelling van het werkelijk rendement geen rekening mag worden gehouden met kosten. Volgens de inspecteur moet het werkelijk rendement daarom € 1.738 bedragen in plaats van € 855.
Afspraak blijft gelden
Het hof houdt de inspecteur aan de afspraak. De man en de inspecteur wilden het geschil afronden en onzekerheid voorkomen. Daarmee hebben zij een bindende afspraak gesloten. De inspecteur heeft niet aangevoerd dat deze afspraak nietig of vernietigbaar is. Door akkoord te gaan, heeft hij ook het risico geaccepteerd dat latere rechtspraak anders zou uitpakken.
Geen rentevergoeding
Op één punt krijgt de inspecteur wel gelijk. De rechtbank had bepaald dat hij wettelijke rente moest betalen over de periode tussen betaling en teruggaaf. Het hof vernietigt dit deel van de uitspraak. Volgens de Hoge Raad biedt de vermindering van belasting al voldoende herstel, ook zonder rente. Alleen als de rente hoger is dan de vermindering, geldt een uitzondering. Daarvan is hier geen sprake.
Compromis is compromis
Deze uitspraak bevestigt dat een compromis bindend is, ook als latere rechtspraak een gunstigere uitkomst oplevert. Dat geldt voor beide partijen. Wie zekerheid koopt, aanvaardt de kans dat het achteraf anders had gekund.
Diensten
Ons kantoor
Online producten
Contact
3771 AJ Barneveld
Tel: (0342) 46 25 25
info@burgersaccountants.nl










