Een vrouw woont in 2019 en 2020 in Italië en ontvangt in die jaren een Ziektewet-uitkering van het UWV. De vrouw doet aangifte voor beide jaren, waarin zij de uitkeringen als 'elders belast' op nihil stelt. De inspecteur legt de aanslagen geautomatiseerd op, conform de aangiften. Later maakt de vrouw bezwaar tegen de aanslag 2020, waarin zij stelt dat zij geen inkomen in Nederland ontvangt. De inspecteur kondigt vervolgens navorderingsaanslagen aan voor 2019 en 2020, omdat Nederland volgens hem wel heffingsrecht heeft over de ZW-uitkeringen. 

Grond voor navordering

De inspecteur stelt dat sprake is van een kenbare fout. De aangiften zijn geautomatiseerd afgedaan en niet handmatig beoordeeld. De rechtbank overweegt dat navordering mogelijk is als een aanslag te laag is vastgesteld door een fout van de vrouw, tenzij de inspecteur de fout welbewust heeft geaccepteerd. Dat laatste is niet het geval. De aanslagen zijn te laag vastgesteld door de geautomatiseerde aanslagregeling, niet door een onjuist inzicht van de inspecteur. Omdat het verschil tussen de aanslagen en de verschuldigde belasting meer dan 30% bedraagt, wordt aangenomen dat de fouten voor de vrouw redelijkerwijs kenbaar waren. De rechtbank oordeelt dat er een geldige navorderingsgrond is.

Verbod op verslechtering

De vrouw stelt dat zij door het instellen van bezwaar niet in een slechtere positie mag komen (het verbod van 'reformatio in peius'). De navorderingsaanslagen zijn immers opgelegd naar aanleiding van haar bezwaar. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur dit verbod niet heeft geschonden. De wetgever heeft niet bedoeld dat het verbod ook geldt als er een zelfstandige grond voor navordering bestaat. Aangezien de inspecteur bevoegd was om navorderingsaanslagen op te leggen, levert het gebruikmaken van deze bevoegdheid geen strijd op met het verbod.

Bron:Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:4358 | 18-05-2026

Een man ontvangt een aanzienlijke nabetaling van het UWV. De rechtbank concludeert dat de man de nabetaling fiscaal heeft genoten in 2020. Dit komt doordat hij het geld pas in dat jaar in één keer heeft ontvangen en er eerder onzekerheid bestond over zijn recht op de uitkering. Volgens de wet is het genietingsmoment van loon ineens het moment van nabetalen. De rechtbank kan deze situatie niet veranderen, omdat dit een keuze van de wetgever is. De aanslag klopt dan ook.

Te weinig loonbelasting

De rechtbank heeft wel sterk het vermoeden dat het UWV veel te weinig loonheffing heeft ingehouden op de nabetaling. Het is immers erg onwaarschijnlijk dat er maar € 2.373 aan loonheffing drukt op een brutoloonbedrag van € 30.638. De rechtbank denkt dus dat er op de een of andere manier achter de schermen bij het UWV iets is misgegaan. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat het UWV tijdens de procedure over het uitkeringsrecht wel gewoon elke maand (of elke vier weken) een loonstrook heeft gedraaid, maar steeds het nettobedrag dat onderaan die strook staat heeft achtergehouden in afwachting van de procedure. Toen die procedure was afgerond, zijn eenvoudigweg alle achterstallige bedragen bij elkaar opgeteld en heeft het UWV de opgetelde netto bedragen aan de man uitbetaald. De opgetelde brutobedragen en de opgetelde inhoudingen van loonheffing zijn vervolgens doorgegeven aan de Belastingdienst. Als dat klopt, zou dat verklaren waarom het UWV zo weinig loonheffing heeft ingehouden.

Klacht en middeling

De rechtbank vindt het te ver gaan om op dit punt zelf actie te ondernemen richting het UWV, maar de man zou dat wel kunnen doen, bijvoorbeeld door het klachtenformulier in te vullen. Daarbij kan de man dan de uitspraak van de rechtbank meesturen, zodat het UWV begrijpt waar de crux zit. Daarnaast zou een verzoek tot middeling tot een teruggaaf voor de man kunnen leiden. Daarmee wordt dan een deel van de pijn verzacht. De rechtbank heeft de stukken van de man tegelijk met de uitspraak naar de inspecteur gestuurd, zodat de inspecteur het verzoek om middeling met inachtneming van de informatie uit de uitspraak in behandeling kan nemen.

Bron:Rechtbank Midden-Nederland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNNE:2024:2177 | 05-06-2026

Een Poolse ondernemer exploiteert een klusbedrijf en verricht renovatie-, stukadoors- en schilderwerk in Nederland. Hij verblijft afwisselend in Polen en Nederland: twee weken daar, drie weken hier. De inspecteur legt over 2017 en 2018 navorderingsaanslagen op en over 2019 een aanslag. De ondernemer stelt dat hij geen vaste inrichting heeft in Nederland en dat de winst dus niet in Nederland belastbaar is. 

Woonplaats in Polen, werkzaamheden in Nederland

De ondernemer woont in Polen, maar staat jarenlang ingeschreven op diverse Nederlandse adressen. De ondernemer en de inspecteur zijn het erover eens dat Polen op basis van het belastingverdrag als woonland geldt. De vraag is of Nederland mag heffen over de winst uit de hier verrichte werkzaamheden.

Woning is vaste inrichting

De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse woning waar de ondernemer verblijft een vaste inrichting vormt. De ondernemer is de enige die werkzaam is voor de onderneming. Tijdens zijn verblijf in Nederland voert hij niet alleen klussen uit, maar heeft hij ook afspraken met klanten, maakt hij offertes en sluit hij overeenkomsten. De rechtbank acht aannemelijk dat in de woning werkzaamheden worden verricht zoals klantcontact en het bijhouden van de administratie.

Eenmanszaak kan zichzelf vertegenwoordigen

De ondernemer betoogt dat een eenmanszaak zichzelf geen machtiging kan verlenen en dat daarom artikel 5 lid 5 van het belastingverdrag niet van toepassing kan zijn. De rechtbank verwerpt dit betoog. Doel en strekking van de bepaling is dat sprake is van een vaste inrichting wanneer iemand rechtsgeldig namens de onderneming kan optreden en de onderneming kan binden. Een interpretatie waarbij alleen een werknemer of een derde een vaste inrichting zou vormen, maar de ondernemer zelf niet, acht de rechtbank niet in overeenstemming met deze strekking.

Bron:Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:4373 | 19-05-2026

Een recyclingbedrijf betaalt in 2017 ruim € 1 miljoen aan twee bv's voor de levering van cacaoveegsel en steigermateriaal. De FIOD vermoedt dat geen goederen zijn geleverd en dat het om witwassen gaat. De strafrechter spreekt het bedrijf vrij. Toch legt de inspecteur een navorderingsaanslag op. Mag dat na een vrijspraak? En wat betekent de vrijspraak voor de vergrijpboete?

Opmerkelijke transacties

Het recyclingbedrijf maakt deel uit van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. In 2017 stelt het bedrijf creditfacturen op aan twee bv's: € 325.000 voor cacaoveegsel en € 753.280 voor steigermateriaal. Het bedrijf betaalt deze bedragen aan de twee bv's en brengt ze als inkoopkosten in aftrek. De FIOD doet onderzoek. De twee bv's blijken holdings te zijn zonder activiteiten in de recyclingbranche. Weegbonnen, vrachtbrieven en andere documenten die de leveringen onderbouwen, ontbreken. De dga verklaart dat hij niet weet van wie de goederen afkomstig zijn en dat hij geen contactpersoon heeft bij een van de bv's.

Vrijspraak voor witwassen en valsheid in geschrifte

Het recyclingbedrijf wordt vervolgd voor witwassen en valsheid in geschrifte. De strafrechter spreekt het bedrijf vrij. Er zijn weliswaar aanwijzingen dat een goederenstroom ontbreekt, maar er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de facturen vals zijn. De inspecteur legt desondanks een navorderingsaanslag op van ruim € 1 miljoen aan gecorrigeerde winst, plus een vergrijpboete van € 129.785.

Belastingrechter oordeelt zelfstandig

De rechtbank oordeelt dat de strafrechtelijke vrijspraak niet in de weg staat aan de navorderingsaanslag. De belastingrechter vormt zelfstandig een oordeel over de feiten en is daarbij niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter. De bewijslast voor de inkoopkosten rust op het bedrijf. Het bedrijf slaagt daar niet in. De creditfacturen zijn door het bedrijf zelf opgesteld en worden niet ondersteund door achterliggende stukken of een geloofwaardige verklaring. Bij een kostenpost van ruim € 1 miljoen mag worden verwacht dat deze kan worden onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens.

Boete sneuvelt op onschuldpresumptie

Voor de vergrijpboete geldt een ander regime. De inspecteur moet overtuigend aantonen dat sprake is van opzet. Hij baseert zich uitsluitend op de bevindingen van het strafrechtelijke onderzoek en heeft geen aanvullend onderzoek verricht. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur daarmee niet in zijn bewijslast slaagt. De boete verwijt het bedrijf in wezen dat het valse facturen heeft gebruikt. Dat uitgangspunt is na de strafrechtelijke vrijspraak in strijd met de onschuldpresumptie. De rechtbank vernietigt daarom de boete.

Bron:Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:9897 | 23-04-2026

Vanaf 2027 krijgen werkgevers geen geld meer terug van de overheid voor de transitievergoeding die ze betalen bij ontslag als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Dit geldt ook voor de compensatieregeling bij bedrijfsbeëindiging vanwege pensionering of overlijden van de werkgever. Aanvankelijk werd voorgesteld de regeling te beperken tot kleine werkgevers. Het kabinet heeft nu voor een algehele afschaffing gekozen.

Bron:Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | wetswijziging | 2026Z11419 | 28-05-2026

De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel Wet digitale algemene vergadering privaatrechtelijke rechtspersonen aangenomen. De wet creëert flexibiliteit door rechtspersonen toe te staan te kiezen voor fysieke, hybride of volledig digitale vergaderingen, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. 

Volledig digitale vergadering mogelijk

De wet maakt het mogelijk voor nv's, bv's, verenigingen, vve's, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen om een volledig digitale algemene vergadering te houden. Deze optie bestaat naast de al bestaande fysieke en hybride vergaderingen. De regeling is facultatief. Rechtspersonen kunnen zelf de vergadervorm kiezen.

Aangescherpte voorwaarden voor digitale en hybride vergaderingen

Voor de meeste rechtspersonen (nv's, bv's, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen) is een statutenwijziging vereist om digitaal te vergaderen. Verenigingen en vve's kunnen volstaan met een machtiging van de algemene vergadering, om zo kosten voor een statutenwijziging te vermijden. Deelnemers moeten de vergadering rechtstreeks kunnen volgen met beeld en geluid en met beeld en geluid kunnen deelnemen aan de beraadslaging via een tweezijdig audiovisueel communicatiemiddel. Dit is een aanscherping van de huidige regels voor hybride vergaderingen. Identificatie van deelnemers en de mogelijkheid tot rechtstreekse uitoefening van het stemrecht blijven verplicht. De procedure hiervoor moet in de oproeping worden vermeld. Rechtspersonen moeten rekening houden met leden met beperkte digitale vaardigheden en zo nodig praktische ondersteuning bieden.

Vereenvoudigde digitale oproeping

Het instemmingsvereiste voor het elektronisch oproepen van leden of aandeelhouders vervalt. Niet-beursgenoteerde nv's mogen voortaan ook oproepen via een langs elektronische weg openbaar gemaakte aankondiging, bijvoorbeeld op de website, in plaats van via een landelijk dagblad. De oproeping moet informatie bevatten over de procedure voor deelname aan de digitale vergadering en het uitoefenen van het stemrecht.

Bron:Ministerie van Justitie en Veiligheid | wetsvoorstel | 36489 | 01-06-2026

Een dga verkoopt zijn aandelen voor € 5.000. De koper neemt ook zijn rekening-courantschuld van € 287.000 over. De inspecteur telt die schuld op bij de overdrachtsprijs en legt een navorderingsaanslag op naar een ab-inkomen van ruim € 274.000. Te gortig, vindt de dga. De schuld was toch nooit meer in te lossen. Het hof geeft hem deels gelijk. De schuld telt mee, maar niet tegen de nominale waarde.

Niet onder normale omstandigheden

Het hof oordeelt dat sprake is van een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst. De dga verkoopt aandelen met een eigen vermogen van ruim € 271.000 voor slechts € 5.000. De accountant heeft de winstreserves niet meegenomen in zijn taxatie. Hieruit volgt dat de dga de koper heeft willen bevoordelen. In dat geval mag de inspecteur de overeengekomen prijs negeren en uitgaan van de waarde in het economisch verkeer.

Schuld telt mee

De inspecteur stelt dat de overgenomen schuld onderdeel is van de tegenprestatie. Hij telt de nominale waarde van € 287.419 op bij de verkoopprijs van € 5.000 en trekt daar de verkrijgingsprijs van € 18.151 van af. Zo komt hij op een ab-voordeel van € 274.268. De dga betwist dit. Hij stelt dat de schuld nooit meer was af te lossen en daarom geen waarde vertegenwoordigt.

Nominale waarde niet aannemelijk

Het hof volgt de inspecteur niet volledig. De schuld is weliswaar opgelopen tot € 287.419, maar dat betekent niet dat de waarde ervan gelijk is aan dit bedrag. De schuld was niet opeisbaar, er was geen rente verschuldigd en er waren geen zekerheden gesteld. Bovendien was de dga ten tijde van de verkoop 54 jaar en kampt hij met gezondheidsbeperkingen. Het hof acht aannemelijk dat de schuld grotendeels oninbaar zou zijn geweest.

Overwaarde als maatstaf

De dga stelt dat de waarde van de schuld nihil is, maar ook dát maakt hij niet aannemelijk. Hij bezit namelijk een eigen woning met een WOZ-waarde van € 249.000 en een hypotheekschuld van € 200.000. Daarmee is sprake van € 49.000 aan overwaarde. Het hof stelt de waarde van de schuld vast op dit bedrag. Het ab-voordeel komt daarmee uit op € 35.849, zijnde de verkoopprijs van € 5.000 plus de waarde van de schuld van € 49.000, minus de verkrijgingsprijs van € 18.151.

Bron:Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:807 | 24-03-2026

Twee vennoten handelen via een vof in Amerikaanse auto-onderdelen. Na een computercrash raken zij hun administratie kwijt. Om de aangifte sluitend te krijgen, waarderen zij de voorraad tegen actuele prijzen in plaats van de historische kostprijs. Het verschil boeken zij via de kapitaalrekening. De inspecteur accepteert dit niet. De herwaardering hoort in de winst. De ondernemer verweert zich met een beroep op de foutenleer.

Vermogenssprong 

De inspecteur constateert dat het eindvermogen van de vof per 31 december 2018 niet aansluit bij het beginvermogen per 1 januari 2019. Het verschil bedraagt € 219.384. De ondernemer verklaart dat dit komt door een computercrash, waardoor veel gegevens verloren zijn gegaan. Om de administratie te kunnen reconstrueren, heeft hij de voorraad gewaardeerd tegen de actuele inkoopprijzen per 1 januari 2021 in plaats van de historische kostprijs. Het verschil heeft hij geboekt op de kapitaalrekening van de andere vennoot.

Historische kostprijs is de norm

De inspecteur stelt dat voorraad fiscaal moet worden gewaardeerd tegen de historische kostprijs. Een herwaardering naar actuele prijzen is in strijd met goed koopmansgebruik. Bovendien mag een herwaardering niet via de kapitaalrekening lopen, maar hoort zij thuis in de winst- en verliesrekening. Door de voorraad op te waarderen en het verschil buiten de winst te houden, verantwoordt de vof in latere jaren een te lage brutomarge en dus te weinig winst.

Correctie beperkt

De inspecteur corrigeert aanvankelijk het volledige verschil, maar herziet zijn standpunt in bezwaar. Uit de administratie blijkt dat de voorraad per 1 januari 2019 is gewaardeerd op € 340.000, terwijl de balans per 31 december 2018 een voorraad vermeldt van € 177.968. Het verschil van € 162.032 is via de kapitaalrekening geboekt in plaats van via de winst. De inspecteur corrigeert daarom dit bedrag. Omdat de ondernemer voor 50% gerechtigd is tot de winst, bedraagt zijn correctie € 81.016.

Foutenleer biedt geen soelaas

De ondernemer stelt dat de oorzaak van het verschil in oude jaren ligt en dat een eventuele correctie daar moet plaatsvinden. De rechtbank verwerpt dit betoog. Ook als de fout in eerdere jaren is ontstaan, kan de inspecteur deze op grond van de foutenleer corrigeren in het oudste nog openstaande jaar. Dat is hier 2019. De totaalwinst moet immers worden belast. Een vermogenssprong die buiten de heffing blijft, is daarmee uitgesloten.

Bron:Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:3452 | 30-04-2026

Per 1 september 2026 wordt het tarief van de vrachtwagenheffing met 22,3% verlaagd. De vrachtwagenheffing treedt op 1 juli 2026 in werking en geldt voor alle vrachtwagens, zowel uit binnen- als buitenland. Eigenaren van vrachtwagens gaan een bedrag per gereden kilometer betalen. Door de tijdelijke korting daalt het gemiddelde tarief van € 0,191 naar € 0,148 per kilometer. De verlaging geldt voor alle categorieën vrachtwagens en loopt tot eind 2026.

Bron:Ministerie van Financiën | besluit | 25-05-2026

Een yogalerares schrijft zich in februari 2020 in bij de KVK. In haar aangifte vermeldt zij een verlies uit onderneming. Dit bedrag is opgebouwd uit een omzet van € 203, verminderd met zelfstandigenaftrek en startersaftrek en verhoogd met de MKB-winstvrijstelling. Zij vermeldt geen kosten of bedrijfsmiddelen op de balans.

Correctie door de inspecteur

De inspecteur merkt de omzet van € 203 aan als resultaat uit overige werkzaamheden en past de ondernemersfaciliteiten niet toe. De vrouw maakt bezwaar, maar dit wordt ongegrond verklaard. Ook de rechtbank verklaart haar beroep ongegrond.

Winst uit onderneming

Een onderneming vereist een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal die deelneemt aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk om voordeel te behalen. Cruciaal is dat dit voordeel ook redelijkerwijs te verwachten moet zijn. Bij de beoordeling hiervan wordt onder meer gekeken naar de duurzaamheid en omvang van de werkzaamheden, de beschikbare tijd, ondernemersrisico, de omvang van inkomsten en investeringen, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten.

Geen objectieve winstverwachting

De lerares maakt niet aannemelijk dat zij een onderneming drijft. De omzet (van € 203) is marginaal en er zijn geen kosten of investeringen vermeld. Haar urenoverzichten bestaan uit ronde getallen en veel activiteiten zijn als vrijwilligerswerk omschreven. Er is geen kenbaar bedrijfsplan of realistisch doel. Ook uit de aangiften van latere jaren blijkt geen redelijke winstverwachting. Daarom komt de vrouw niet in aanmerking voor de ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek.

Urencriterium

De vrouw stelt dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel schendt, onder meer door haar niet te wijzen op het versoepelde urencriterium en door de uitspraak op bezwaar te snel te doen. De inspecteur heeft echter niet onzorgvuldig gehandeld. Het urencriterium is niet relevant als er geen sprake is van een onderneming. Bovendien heeft de vrouw voldoende tijd gehad om aanvullende informatie te verstrekken, maar heeft zij dit niet gedaan.

Bron:Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2026:1134 | 13-04-2026