Twee vennoten handelen via een vof in Amerikaanse auto-onderdelen. Na een computercrash raken zij hun administratie kwijt. Om de aangifte sluitend te krijgen, waarderen zij de voorraad tegen actuele prijzen in plaats van de historische kostprijs. Het verschil boeken zij via de kapitaalrekening. De inspecteur accepteert dit niet. De herwaardering hoort in de winst. De ondernemer verweert zich met een beroep op de foutenleer.

Vermogenssprong 

De inspecteur constateert dat het eindvermogen van de vof per 31 december 2018 niet aansluit bij het beginvermogen per 1 januari 2019. Het verschil bedraagt € 219.384. De ondernemer verklaart dat dit komt door een computercrash, waardoor veel gegevens verloren zijn gegaan. Om de administratie te kunnen reconstrueren, heeft hij de voorraad gewaardeerd tegen de actuele inkoopprijzen per 1 januari 2021 in plaats van de historische kostprijs. Het verschil heeft hij geboekt op de kapitaalrekening van de andere vennoot.

Historische kostprijs is de norm

De inspecteur stelt dat voorraad fiscaal moet worden gewaardeerd tegen de historische kostprijs. Een herwaardering naar actuele prijzen is in strijd met goed koopmansgebruik. Bovendien mag een herwaardering niet via de kapitaalrekening lopen, maar hoort zij thuis in de winst- en verliesrekening. Door de voorraad op te waarderen en het verschil buiten de winst te houden, verantwoordt de vof in latere jaren een te lage brutomarge en dus te weinig winst.

Correctie beperkt

De inspecteur corrigeert aanvankelijk het volledige verschil, maar herziet zijn standpunt in bezwaar. Uit de administratie blijkt dat de voorraad per 1 januari 2019 is gewaardeerd op € 340.000, terwijl de balans per 31 december 2018 een voorraad vermeldt van € 177.968. Het verschil van € 162.032 is via de kapitaalrekening geboekt in plaats van via de winst. De inspecteur corrigeert daarom dit bedrag. Omdat de ondernemer voor 50% gerechtigd is tot de winst, bedraagt zijn correctie € 81.016.

Foutenleer biedt geen soelaas

De ondernemer stelt dat de oorzaak van het verschil in oude jaren ligt en dat een eventuele correctie daar moet plaatsvinden. De rechtbank verwerpt dit betoog. Ook als de fout in eerdere jaren is ontstaan, kan de inspecteur deze op grond van de foutenleer corrigeren in het oudste nog openstaande jaar. Dat is hier 2019. De totaalwinst moet immers worden belast. Een vermogenssprong die buiten de heffing blijft, is daarmee uitgesloten.

Bron:Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:3452 | 30-04-2026

Vanaf 2027 krijgen werkgevers geen geld meer terug van de overheid voor de transitievergoeding die ze betalen bij ontslag als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Dit geldt ook voor de compensatieregeling bij bedrijfsbeëindiging vanwege pensionering of overlijden van de werkgever. Aanvankelijk werd voorgesteld de regeling te beperken tot kleine werkgevers. Het kabinet heeft nu voor een algehele afschaffing gekozen.

Bron:Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | wetswijziging | 2026Z11419 | 28-05-2026

De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel Wet digitale algemene vergadering privaatrechtelijke rechtspersonen aangenomen. De wet creëert flexibiliteit door rechtspersonen toe te staan te kiezen voor fysieke, hybride of volledig digitale vergaderingen, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. 

Volledig digitale vergadering mogelijk

De wet maakt het mogelijk voor nv's, bv's, verenigingen, vve's, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen om een volledig digitale algemene vergadering te houden. Deze optie bestaat naast de al bestaande fysieke en hybride vergaderingen. De regeling is facultatief. Rechtspersonen kunnen zelf de vergadervorm kiezen.

Aangescherpte voorwaarden voor digitale en hybride vergaderingen

Voor de meeste rechtspersonen (nv's, bv's, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen) is een statutenwijziging vereist om digitaal te vergaderen. Verenigingen en vve's kunnen volstaan met een machtiging van de algemene vergadering, om zo kosten voor een statutenwijziging te vermijden. Deelnemers moeten de vergadering rechtstreeks kunnen volgen met beeld en geluid en met beeld en geluid kunnen deelnemen aan de beraadslaging via een tweezijdig audiovisueel communicatiemiddel. Dit is een aanscherping van de huidige regels voor hybride vergaderingen. Identificatie van deelnemers en de mogelijkheid tot rechtstreekse uitoefening van het stemrecht blijven verplicht. De procedure hiervoor moet in de oproeping worden vermeld. Rechtspersonen moeten rekening houden met leden met beperkte digitale vaardigheden en zo nodig praktische ondersteuning bieden.

Vereenvoudigde digitale oproeping

Het instemmingsvereiste voor het elektronisch oproepen van leden of aandeelhouders vervalt. Niet-beursgenoteerde nv's mogen voortaan ook oproepen via een langs elektronische weg openbaar gemaakte aankondiging, bijvoorbeeld op de website, in plaats van via een landelijk dagblad. De oproeping moet informatie bevatten over de procedure voor deelname aan de digitale vergadering en het uitoefenen van het stemrecht.

Bron:Ministerie van Justitie en Veiligheid | wetsvoorstel | 36489 | 01-06-2026

Een dga verkoopt zijn aandelen voor € 5.000. De koper neemt ook zijn rekening-courantschuld van € 287.000 over. De inspecteur telt die schuld op bij de overdrachtsprijs en legt een navorderingsaanslag op naar een ab-inkomen van ruim € 274.000. Te gortig, vindt de dga. De schuld was toch nooit meer in te lossen. Het hof geeft hem deels gelijk. De schuld telt mee, maar niet tegen de nominale waarde.

Niet onder normale omstandigheden

Het hof oordeelt dat sprake is van een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst. De dga verkoopt aandelen met een eigen vermogen van ruim € 271.000 voor slechts € 5.000. De accountant heeft de winstreserves niet meegenomen in zijn taxatie. Hieruit volgt dat de dga de koper heeft willen bevoordelen. In dat geval mag de inspecteur de overeengekomen prijs negeren en uitgaan van de waarde in het economisch verkeer.

Schuld telt mee

De inspecteur stelt dat de overgenomen schuld onderdeel is van de tegenprestatie. Hij telt de nominale waarde van € 287.419 op bij de verkoopprijs van € 5.000 en trekt daar de verkrijgingsprijs van € 18.151 van af. Zo komt hij op een ab-voordeel van € 274.268. De dga betwist dit. Hij stelt dat de schuld nooit meer was af te lossen en daarom geen waarde vertegenwoordigt.

Nominale waarde niet aannemelijk

Het hof volgt de inspecteur niet volledig. De schuld is weliswaar opgelopen tot € 287.419, maar dat betekent niet dat de waarde ervan gelijk is aan dit bedrag. De schuld was niet opeisbaar, er was geen rente verschuldigd en er waren geen zekerheden gesteld. Bovendien was de dga ten tijde van de verkoop 54 jaar en kampt hij met gezondheidsbeperkingen. Het hof acht aannemelijk dat de schuld grotendeels oninbaar zou zijn geweest.

Overwaarde als maatstaf

De dga stelt dat de waarde van de schuld nihil is, maar ook dát maakt hij niet aannemelijk. Hij bezit namelijk een eigen woning met een WOZ-waarde van € 249.000 en een hypotheekschuld van € 200.000. Daarmee is sprake van € 49.000 aan overwaarde. Het hof stelt de waarde van de schuld vast op dit bedrag. Het ab-voordeel komt daarmee uit op € 35.849, zijnde de verkoopprijs van € 5.000 plus de waarde van de schuld van € 49.000, minus de verkrijgingsprijs van € 18.151.

Bron:Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:807 | 24-03-2026

Per 1 september 2026 wordt het tarief van de vrachtwagenheffing met 22,3% verlaagd. De vrachtwagenheffing treedt op 1 juli 2026 in werking en geldt voor alle vrachtwagens, zowel uit binnen- als buitenland. Eigenaren van vrachtwagens gaan een bedrag per gereden kilometer betalen. Door de tijdelijke korting daalt het gemiddelde tarief van € 0,191 naar € 0,148 per kilometer. De verlaging geldt voor alle categorieën vrachtwagens en loopt tot eind 2026.

Bron:Ministerie van Financiën | besluit | 25-05-2026

Een yogalerares schrijft zich in februari 2020 in bij de KVK. In haar aangifte vermeldt zij een verlies uit onderneming. Dit bedrag is opgebouwd uit een omzet van € 203, verminderd met zelfstandigenaftrek en startersaftrek en verhoogd met de MKB-winstvrijstelling. Zij vermeldt geen kosten of bedrijfsmiddelen op de balans.

Correctie door de inspecteur

De inspecteur merkt de omzet van € 203 aan als resultaat uit overige werkzaamheden en past de ondernemersfaciliteiten niet toe. De vrouw maakt bezwaar, maar dit wordt ongegrond verklaard. Ook de rechtbank verklaart haar beroep ongegrond.

Winst uit onderneming

Een onderneming vereist een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal die deelneemt aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk om voordeel te behalen. Cruciaal is dat dit voordeel ook redelijkerwijs te verwachten moet zijn. Bij de beoordeling hiervan wordt onder meer gekeken naar de duurzaamheid en omvang van de werkzaamheden, de beschikbare tijd, ondernemersrisico, de omvang van inkomsten en investeringen, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten.

Geen objectieve winstverwachting

De lerares maakt niet aannemelijk dat zij een onderneming drijft. De omzet (van € 203) is marginaal en er zijn geen kosten of investeringen vermeld. Haar urenoverzichten bestaan uit ronde getallen en veel activiteiten zijn als vrijwilligerswerk omschreven. Er is geen kenbaar bedrijfsplan of realistisch doel. Ook uit de aangiften van latere jaren blijkt geen redelijke winstverwachting. Daarom komt de vrouw niet in aanmerking voor de ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek.

Urencriterium

De vrouw stelt dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel schendt, onder meer door haar niet te wijzen op het versoepelde urencriterium en door de uitspraak op bezwaar te snel te doen. De inspecteur heeft echter niet onzorgvuldig gehandeld. Het urencriterium is niet relevant als er geen sprake is van een onderneming. Bovendien heeft de vrouw voldoende tijd gehad om aanvullende informatie te verstrekken, maar heeft zij dit niet gedaan.

Bron:Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2026:1134 | 13-04-2026

Een man start in 2011 met de handel in auto's. Hij schrijft zich in bij de KVK en begint vol goede moed. De handel loopt echter niet goed naast zijn drukke baan in loondienst. Al vanaf het eerste jaar lijdt hij verlies. De omzet daalt van bijna € 98.000 in 2011 naar nihil in 2014. In 2016 en 2017 is er opnieuw geen omzet, maar wel kosten. Wanneer zijn vrouw ernstig ziek wordt, stopt de man definitief. Hij erkent achteraf dat de activiteiten voortkwamen uit een hobby en nooit echt goed van de grond zijn gekomen.

Geen onderzoek

De man dient eind 2017 zijn aangifte 2016 in, met een ondernemingsverlies van ruim € 4.500. De inspecteur legt de aanslag op conform de aangifte. Hij vergelijkt de aangifte niet met de aangiften van voorgaande jaren en doet geen nader onderzoek. Vier maanden later draait de Belastingdienst een landelijke query vanuit het project 'bronbeoordeling en starters'. De man komt in die query terecht. Nu pas besluit de inspecteur te onderzoeken of wel sprake is van een bron van inkomen.

Voordeelverwachting

Voor een bron van inkomen gelden drie vereisten: deelname aan het economisch verkeer, het oogmerk om voordeel te behalen en de objectieve verwachting dat voordeel redelijkerwijs kan worden behaald. Aan de eerste twee vereisten is voldaan. Maar het hof oordeelt dat een objectieve voordeelverwachting ontbreekt. Vanaf de start in 2011 zijn uitsluitend negatieve resultaten behaald bij een omzet die daalde tot nihil. De activiteiten vormen daarom geen bron van inkomen. De verliezen zijn niet aftrekbaar van het inkomen uit werk en woning.

Inspecteur had moeten twijfelen

Een inspecteur moet bij het opleggen van een aanslag de aangifte vergelijken met de gegevens in het dossier, waaronder de aangiften van voorgaande jaren. In die aangiften stond jaar na jaar verlies. De inspecteur had in redelijkheid moeten twijfelen aan de juistheid van het aangegeven ondernemingsverlies. Hij had vóór het opleggen van de aanslag 2016 nader onderzoek moeten doen. Door het nadere onderzoek na te laten begaat hij een ambtelijk verzuim. Dat sluit navordering uit.

Query bevestigt het verzuim

Het hof ziet een bevestiging in het feit dat de inspecteur naar aanleiding van de query wél tot onderzoek overging. Die query bevatte dezelfde informatie over de jarenlange verliezen als de aangiften. Zonder afdoende verklaring valt niet in te zien waarom de query wel aanleiding gaf tot onderzoek en de aangiften niet. De navorderingsaanslag 2016 wordt vernietigd. De aanslag 2017 blijft in stand, want die was nog niet definitief opgelegd toen de inspecteur het onderzoek startte.

Bron:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:2734 | 20-04-2026

Op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is een werkgever van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe zijn werkzaamheden behoren. De Regeling Wfsv bevat een bijlage waarin per sector de bijbehorende bedrijfstakken zijn opgesomd. Als een activiteit hier niet bijstaat, dan worden de werkzaamheden ingedeeld bij de sector waarin de werkzaamheden worden verricht die naar de aard het meest overeenkomen. Dit heet assimilatie. Niet de naam van het bedrijf of de cao is bepalend, maar de feitelijke activiteiten.

Ruwbouw of afbouw?

Een werkgever die spanplafonds plaatst, valt onder de cao afbouw. De Belastingdienst deelt hem toch in bij sector 17: detailhandel en ambachten. De werkgever protesteert. Hij is van mening dat hij hoort bij sector 3: bouwbedrijf. Het hof analyseert de bedrijven in sector 3. Die hebben gemeen dat zij zich richten op de ruwbouw, het constructieve deel van een bouwwerk. Denk aan burgerlijke en utiliteitsbouw, wegenbouw, heiersbedrijven en dakdekkers. Bedrijven die zich richten op afbouw zijn juist ingedeeld bij andere sectoren. Het woningstoffeerdersbedrijf en behangersbedrijf vallen onder sector 17, het schildersbedrijf onder sector 56 en het stukadoorsbedrijf onder sector 57. Dit onderscheid tussen ruwbouw en afbouw blijkt een belangrijk criterium.

Stofferen van plafonds

De werkgever plaatst spanplafonds: plafonds van gespannen kunststofdoek onder bestaande plafonds. Dat is geen ruwbouw. Het hof ziet juist overeenkomst met het woningstoffeerdersbedrijf. De werkgever bekleedt immers ruimten, in het bijzonder plafonds, met een stof, in dit geval kunststof. De indeling bij sector 17 is daarom terecht.

Cao niet van belang

De werkgever voert aan dat hij onder de cao afbouw valt. Het hof passeert dit argument. Bij de sectorindeling is niet van belang onder welke cao de werkgever valt. Het gaat uitsluitend om de aard van de werkzaamheden. Dit is een belangrijk punt voor werkgevers die denken dat hun cao-indeling automatisch ook hun sectorindeling bepaalt. Dat is niet zo.

En systeemplafonds dan?

De werkgever beroept zich ook nog op het gelijkheidsbeginsel. De Belastingdienst hanteert beleid waarin systeemplafonds wél bij de bouw worden ingedeeld. Waarom spanplafonds dan niet? Het hof oordeelt dat spanplafonds en systeemplafonds verschillende systemen zijn met verschillende werkzaamheden. Van gelijke gevallen is geen sprake. Een beroep op beleid voor vergelijkbare bedrijven slaagt alleen als de werkzaamheden ook echt vergelijkbaar zijn.

Bron:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:2744 | 20-04-2026

Een ontvanger die uitstel van betaling verleent, moet rekening houden met de belangen van derden die aansprakelijk kunnen worden gesteld. Hij mag niet met minder zekerheid genoegen nemen dan hij zou doen als er geen derden aansprakelijk gesteld kunnen worden. Doet hij dat toch, dan verliest hij de bevoegdheid om die derden aan te spreken. De bewijslast ligt bij de ontvanger. Hij moet aantonen dat niet meer zekerheid te krijgen was.

Betalingsproblemen vanaf het begin

Een transportbedrijf leent personeel in van een uitzendbureau. Het uitzendbureau gaat failliet met onbetaalde belastingschulden. Het uitzendbureau kende al sinds de oprichting in 2015 betalingsproblemen. In 2017 verleent de ontvanger uitstel van betaling voor ruim € 644.000 aan belastingschulden. Hij bedingt zekerheid via een pandrecht op vorderingen en spreekt een betalingsregeling af van € 75.000 per maand. Het uitzendbureau houdt zich aan de regeling tot mei 2018. Dan stoppen de betalingen. De ontvanger trekt het uitstel in en start de dwanginvordering.

Factoringovereenkomst nooit opgevraagd

In september 2018 legt de ontvanger beslag op de inventaris van het uitzendbureau. Die wordt later verkocht voor nog geen € 8.000. Er volgen gesprekken. Het uitzendbureau biedt een debiteurenlijst van € 4,5 miljoen als zekerheid aan. De ontvanger vraagt om de factoringovereenkomst, maar het uitzendbureau stuurt die niet. Toch accepteert de ontvanger in november 2018 een pandrecht op de vorderingen. Hij vertrouwt op de verklaring van het uitzendbureau dat de vorderingen niet al zijn bezwaard.

Pandrecht blijkt waardeloos

Het uitzendbureau komt de betaalafspraken niet na. Er volgt een kort geding. Het uitzendbureau zou € 6,9 miljoen betalen, maar dat blijft uit. De ontvanger maakt het pandrecht openbaar en vraagt het faillissement aan. In maart 2019 is het uitzendbureau failliet. Dan blijkt dat het uitzendbureau al in 2017 een groot deel van haar vorderingen had gecedeerd aan een Luxemburgse vennootschap. Het pandrecht was dus grotendeels waardeloos. In juli 2022 stelt de ontvanger het transportbedrijf aansprakelijk voor ruim € 109.000 aan onbetaalde loon- en omzetbelasting.

Ontvanger had moeten doorvragen

De ontvanger wist al in september 2018 van de factoringovereenkomst. Hij heeft die overeenkomst nooit ontvangen, maar toch een pandrecht geaccepteerd. Van een zorgvuldig handelend ontvanger mag worden verwacht dat hij nagaat of de verpander bevoegd is. De verwijzing naar de verklaring van het uitzendbureau is onvoldoende. De ontvanger heeft feitelijk uitstel van betaling verleend zonder adequate zekerheid.

Bevoegdheid tot aansprakelijkstelling verloren

De ontvanger maakt niet aannemelijk dat hij niet met minder zekerheid genoegen heeft genomen dan van hem verwacht mocht worden. Hij heeft ook niet aangetoond dat geen andere zekerheden te bedingen waren. Het hof oordeelt dat de ontvanger de bevoegdheid heeft verloren om het transportbedrijf aansprakelijk te stellen. De beschikking aansprakelijkstelling wordt vernietigd.

Bron:Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:1076 | 21-04-2026

Een turboliquidatie is een snelle manier om een bv, nv, stichting of andere rechtspersoon te ontbinden. Dit kan alleen als er geen baten meer in de onderneming zitten. Dat wil zeggen dat de rechtspersoon geen activiteiten meer uitvoert én geen bezittingen meer heeft. Een stichting voor postduivenfokkers wordt in 2017 op deze manier ontbonden. Althans, dat was de bedoeling. De inspecteur legt navorderingsaanslagen op van ruim € 350.000. Kunnen die aanslagen nog wel worden opgelegd aan een rechtspersoon die is opgehouden te bestaan?

Ontbinding zonder vereffening

De stichting is opgericht in 2012. Haar doel is het bevorderen van het fokken en het beschermen van postduiven. De bestuurders zijn een man, zijn echtgenote en zijn zus. Op 31 december 2017 besluit het bestuur tot ontbinding. Bij de Kamer van Koophandel vult het bestuur formulier 17a in. Daarin staat dat de stichting geen baten heeft. Een vereffening vindt niet plaats. 

Aangiften vertellen een ander verhaal

De stichting dient na de ontbinding nog aangiften vpb in. In de aangifte over 2017 staat € 19.449 aan activa vermeld. Ook in de aangiften over 2018 en 2019 staat dit bedrag, nu als liquide middelen. Dat is opmerkelijk voor een rechtspersoon die zegt geen baten te hebben. De FIOD verstrekt informatie aan de inspecteur en een boekenonderzoek volgt. Op 17 december 2019 legt de inspecteur navorderingsaanslagen vpb op over 2014 en 2015 en een aanslag over 2016. De belastingdeurwaarder betekent de aanslagen aan de bestuurder op het laatst bekende adres. 

Registratie KVK is geen bewijs

Het hof oordeelt dat de registratie bij de KVK niet bewijst dat de rechtspersoon daadwerkelijk is opgehouden te bestaan. Die mededeling moet ook juist zijn. Partijen kunnen het vermoeden dat de mededeling juist is, ontzenuwen. De inspecteur slaagt daarin. Uit de aangiften over 2017, 2018 en 2019 blijkt dat de stichting wel degelijk baten had. In 2023 stonden nog steeds twee bankrekeningen op haar naam met een totaalsaldo van ruim € 19.000.

Turboliquidatie werkt alleen zonder baten

De stichting stelt dat zij een turboliquidatie heeft toegepast. Daarmee staat volgens het hof vast dat het vermogen niet is vereffend. Een turboliquidatie werkt alleen als er werkelijk geen baten zijn. Dat was hier niet het geval. De stichting wist, óf had moeten weten, dat de mededeling aan de Kamer van Koophandel niet juist was. Zij diende immers zelf na de ontbinding nog aangiften vpb in, waarin zij activa vermeldde. Een beroep op het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel slaagt daarom niet. De stichting is ontbonden maar niet opgehouden te bestaan.

Bron:Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:812 | 24-03-2026