Een man is vennoot in een vof die akkerbouw bedrijft. De inspecteur vindt het bedrijf te klein en rekent het aandeel tot het vermogen in box 3. Hij telt veertien jaar resultaten op en komt uit op een negatief totaal. Het hof wijst dat af, want de bron moet per jaar worden beoordeeld en niet over een reeks jaren. De vof houdt haar onderneming.

Van vee naar akkerbouw

Na het overlijden van hun vader zetten de drie kinderen in 2009 zijn bedrijf voort. Wel schakelen zij over van veeteelt op akkerbouw. Sinds 2019 verpacht de vof ruim twee hectare voor ongeveer € 3.335 per jaar en verkoopt zij gras voor € 2.750, plus € 960 voor kunstmest. Na het verliesjaar 2020 volgen winsten van € 924, € 1.511 en € 718.

Drie eisen, één geschilpunt

Van een bron van inkomen is pas sprake als iemand deelneemt aan het economische verkeer, voordeel beoogt en dat voordeel redelijkerwijs kan verwachten. De eerste twee staan niet ter discussie. Het gaat alleen om de derde eis: de objectieve voordeelsverwachting. Die vraagt niet om een lonend bedrijf, een minimale omvang of een bepaald rendement. Voldoende is dat redelijkerwijs voordeel valt te verwachten, hoe bescheiden ook. Winsten van een paar honderd euro zijn winsten.

De bewijslast keert

Sinds 2003 geeft de belastingplichtige het aandeel aan als winst uit onderneming. Tot 2019 volgt de inspecteur de aangiften. Wie daar na vijftien jaar op terugkomt, moet zelf aannemelijk maken dat de bron verdwenen is. Daarvoor telt de inspecteur zijn gecorrigeerde resultaten over veertien jaar op. De pachtopbrengsten laat de inspecteur weg: die komen van grond die de vof niet meer zelf bewerkt en die volgens het pottenbakkersarrest ondernemingsvermogen blijft, maar niets zegt over de activiteiten. Volgens de inspecteur eist de wet een positieve totaalwinst.

Optellen mag niet

Het hof gaat daar niet in mee. De eis van een positieve totaalwinst berust op een onjuiste lezing van de wet. De toets vindt in beginsel per jaar plaats. De gekozen periode is te lang en arbitrair en daarin wisselen negen positieve en vijf negatieve jaren elkaar af. De gras- en kunstmestvergoedingen tellen mee als omzet en ook zonder de pacht zijn de resultaten niet zo mager dat de voordeelsverwachting verdwijnt. Akkerbouw leidt naar haar aard al snel tot een onderneming en laat nu eenmaal wisselende resultaten zien. Een reeks magere jaren zegt dus weinig over het jaar dat op tafel ligt. Het areaal is niet te klein voor een levensvatbaar bedrijf.

Bron:Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:1847 | 14-07-2026

Een aantal radiologen zette in 2014 hun maatschap om in een vennootschap, waarin elke radioloog aandeelhouder, bestuurder en werknemer is. Het aandelenbezit volgt de omvang van het dienstverband, dat varieert van 0,55 tot 1 fte. Vooraf bevestigt de inspecteur schriftelijk dat de radiologen als directeur-grootaandeelhouder (dga) niet verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen, gezien het gelijke stemrecht en hun positie als statutair bestuurder. De brief bevat een voorbehoud: de toezegging vervalt bij relevante wijzigingen in regelgeving.

Stemrecht of kapitaal

Tot en met 2015 is een gelijk of nagenoeg gelijk aantal stemmen genoeg om onder de verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen uit te komen. Vanaf 2016 telt echter niet meer het stemrecht, maar het aandeel in het kapitaal. De Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016 bepaalt dat de bestuurders samen alle aandelen moeten bezitten en een gelijk of nagenoeg gelijk deel van het kapitaal moeten vertegenwoordigen. Dat aandeel loopt bij de radiologen uiteen van 1,43 tot 2,60%. De inspecteur beslist dat de radiologen vanaf 1 januari 2016 verzekerd zijn en dat de vennootschap vanaf dan premies verschuldigd is. 

Economisch belang beslist

De vennootschap wil een materiële toets. De radiologen werken volgens haar nevengeschikt samen, net als maten, en het verschil in aandelen komt alleen voort uit hun aanstelling. Het hof geeft de inspecteur gelijk. De radiologen met het grootste belang hebben ruim 1,8 keer zoveel aandelen als die met het kleinste belang. Van een nagenoeg gelijk deel van het kapitaal is dan geen sprake. Dat de verdeling de arbeidsinzet van de radiologen volgt, doet er niet toe. Ook de nevengeschikte samenwerking maakt geen verschil. De regeling sluit, ook volgens de toelichting, uitdrukkelijk aan bij het economische belang dat uit het aandelenbezit blijkt.

Bron:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:5303 | 10-08-2026

Een internationale moedermaatschappij schakelt advocaten en adviseurs in wanneer autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en de Verenigde Staten onderzoek doen naar omkoping binnen het concern. De juridische kosten bedragen bijna € 300 miljoen, met ruim € 60 miljoen aan btw. De vennootschap trekt die btw pro rata af. De inspecteur weigert een deel van de aftrek en legt over 2016 tot en met 2019 naheffingsaanslagen op. De rechtbank vernietigt de naheffingen, omdat de kosten de economische activiteiten van de vennootschap veiligstellen.

Schikking van miljarden

De autoriteiten verdenken het concern van omkoping via tussenpersonen bij het binnenhalen van orders. In januari 2020 treft de vennootschap schikkingen om strafvervolging te voorkomen en betaalt zij omgerekend ongeveer € 3,6 miljard. De juridische kosten zien op bijstand bij de onderzoeken, het afwenden van vervolging en een beter compliance- en ethiekprogramma. De vennootschap belast kosten door aan de commerciële divisie van het concern. Dat de btw op de compliancekosten aftrekbaar is, staat niet ter discussie.

Verboden handelingen?

De inspecteur vindt de btw op de onderzoeks- en advocaatkosten niet aftrekbaar. Volgens hem hangen die kosten rechtstreeks samen met omkoping en corruptie, die in de Europese Unie verboden zijn. Hij beroept zich primair op de arresten Einberger en Happy Family van het HvJ. Subsidiair sluit hij de btw op bijstand aan werknemers uit via het BUA. De vennootschap stelt dat de doorbelasting een belaste dienst aan de commerciële divisie is, zodat alle btw aftrekbaar is. Verder ziet zij de kosten als algemene kosten.

Twee standpunten sneuvelen

De rechtbank legt de bewijslast voor de verboden handelingen bij de inspecteur en de inspecteur slaagt hier niet in. De schikkingen en het betaalde bedrag zijn onvoldoende. Zelfs met dat bewijs is de aftrek niet zonder meer uitgesloten, want de Europese arresten gaan over niet goed vergelijkbare situaties. Ook het standpunt van de vennootschap strandt. Een doorbelasting van kosten is op zichzelf geen belaste dienst. De overeenkomsten met de commerciële divisie zijn achteraf opgesteld en de vennootschap geeft de kosten zelf aan als algemene kosten.

Vervolging raakt de onderneming

Volgens de vennootschap moet de bijstand aan werknemers hen vrijuit laten praten, in het belang van het interne onderzoek en de schikkingen. De rechtbank vindt die verklaring geloofwaardig en ziet het persoonlijke voordeel van de werknemers als ondergeschikt, zodat het BUA buiten toepassing blijft. Een strafvervolging kan de exportkredieten, vergunningen en nieuwe orders van het concern raken en zelfs zijn voortbestaan. De kosten dienen dus de algemene economische activiteiten van de vennootschap.

Bron:Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:26734 | 03-08-2026

Het kabinet heeft een aangepast begrotingsvoorstel naar de Tweede Kamer gestuurd. De voorstellen omvatten aanpassingen in box 3, box 2 en de sociale zekerheid.

Vermogenswinstbelasting

Het kabinet kiest voor een structurele oplossing in box 3 door over te stappen op een vermogenswinstbelasting, waarbij winst wordt belast bij uitkering in plaats van op papier. Dit moet het belastingstelsel beter laten aansluiten bij de economische werkelijkheid.

  • Vanaf 2027: Het heffingsvrije vermogen in box 3 wordt teruggebracht naar het niveau van 2020, namelijk € 30.846. Ook wordt het forfait voor overige bezittingen, inclusief huurinkomsten en voordelen uit eigen gebruik van onroerende zaken, met 1,5 procentpunt verhoogd.
  • Vanaf 2028: De vermogenswinstbelasting wordt uitgebreid naar alle financiële instrumenten, zoals aandelen, obligaties en opties. Dit betekent dat voor ongeveer 90% van het vermogen met waardeontwikkeling in box 3 een vermogenswinstbelasting geldt. Vanaf dit jaar geldt ook een heffingsvrij resultaat van € 1.000.
  • Vanaf 2030: De overstap naar een volledige vermogenswinstbelasting voor alle vermogensbestanddelen.

Ter dekking van deze voorstellen wordt het hoge tarief in box 2 vanaf 2027 tijdelijk verlaagd naar 29,2% voor vier jaar. Dit moet ondernemers stimuleren om meer winst uit hun bedrijf op te nemen. Daarnaast wordt de mogelijkheid om uit een eigen bv te lenen in vijf stappen van € 80.000 beperkt van € 500.000 naar € 100.000, met uitzondering van leningen voor een eigen woning.

Koopkracht en sociale zekerheid

Om de koopkracht te stimuleren en werken meer te laten lonen, neemt het kabinet aanvullende maatregelen. De arbeidskorting wordt minder verhoogd, namelijk met € 133 in plaats van € 173. De inkomensgrens voor het toptarief wordt verhoogd van € 78.426 naar € 80.578. Wat betreft de sociale zekerheid zijn de eerder voorgenomen bezuinigingen op arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsuitkeringen voor dit jaar van tafel. Het kabinet wil met werkgevers en vakbonden een sociaal akkoord sluiten over hervormingen van deze uitkeringen.

Overige voorstellen
Andere voorstellen en gespreksthema's zijn onder meer:

  • Verlaging van de accijns op benzine en diesel in 2027 en 2028 met in totaal € 2,1 miljard.
  • Verlaging van de vliegbelasting.
  • Extra investeringen in (regionale) infrastructuur.
  • Een fiscale investeringsreserve voor de agrarische sector.
  • Tijdelijke verlaging van de vrachtwagenheffing en motorrijtuigenbelasting voor bestelauto's.
  • Gesprekken met de oppositie over medisch-ethische vraagstukken, migratie, het stikstofpakket en zorgfraude.
Bron:Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 29-09-2026

De Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) bepaalt dat bedrijven alleen nog werknemers mogen uitlenen als zij daarvoor een toelating hebben. Met deze wet wil de overheid misstanden op de uitleenmarkt tegengaan. De Wtta treedt op 1 januari 2027 in werking. Vanaf 1 januari 2028 handhaaft de Nederlandse Arbeidsinspectie op de toelatingsplicht.

Voor wie geldt de Wtta? 

De wet geldt voor uitleners. Dat zijn bedrijven die tegen vergoeding werknemers ter beschikking stellen om onder toezicht en leiding van een ander werk te verrichten. Hieronder vallen onder meer: 

  • uitzendbureaus; 
  • detacheerders; 
  • payrollbedrijven; 
  • bedrijven die incidenteel personeel uitlenen. 

Daarnaast geldt de Wtta voor inleners, oftewel bedrijven die personeel inhuren.

Uitleners

Het normenkader van de Wtta is verplicht. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de financiële en administratieve betrouwbaarheid van een onderneming, maar ook naar de manier waarop zij met werknemers omgaat. Uitleners mogen alleen personeel uitlenen als zij een toelating of een ontheffing hebben. Om hiervoor in aanmerking te komen, moeten zij vooraf aantonen dat zij aan het normenkader voldoen. Ook krijgen zij te maken met periodiek toezicht en controles.

Daarnaast moeten uitleners:

  • een waarborgsom van € 100.000 storten;
  • een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) overleggen.

Inleners

Hoewel de Wtta zich vooral richt op bedrijven die personeel uitlenen, krijgen ook bedrijven die personeel inhuren te maken met nieuwe verplichtingen en verantwoordelijkheden. Vanaf 1 januari 2028 mogen zij alleen nog werknemers inlenen van uitleners met een toelating of ontheffing van de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU), tenzij een wettelijke uitzondering geldt. Daarnaast moeten inleners uiterlijk vóór de start van de werkzaamheden vastleggen via welke uitlener personeel wordt ingezet. Deze verplichting geldt ook bij doorlening. Verder zijn inleners verantwoordelijk voor het tijdig verstrekken van de arbeidsvoorwaarden aan de uitlener.

Waadi-register wordt Wtta-register 

Op 1 januari 2028 gaat het Waadi-register van de Kamer van Koophandel (KVK) over naar het openbare Wtta-register van de NAU. Hierdoor vervalt voor uitleners de verplichting om een Waadi-registratie in het Handelsregister op te nemen. Ook de huidige Waadi-check voor inleners via de website van de KVK verdwijnt. Inschrijving in het Handelsregister van de KVK blijft wel verplicht.

Bron:Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | wetswijziging | stb-2025-385 | 23-11-2025

Vanaf 1 november 2026 moeten importeurs een afhandelingsvergoeding gaan betalen op e-commercezendingen die van buiten de EU aan een consument in de EU worden verzonden. Deze vergoeding bedraagt € 2 per productcategorie, ongeacht de waarde van de zending. Dat betekent dat de afhandelingsvergoeding ook wordt geheven op producten die een waarde hebben van meer dan € 150. 

Invoerrechten

Voor zendingen tot en met € 150 heft de Douane sinds 1 juli 2026 invoerrechten. Het gaat om € 3 invoerrechten per productcategorie. Voor zendingen van meer dan € 150 hangt de hoogte af van de totale kosten, waar het product van gemaakt is en waar het vandaan komt.

Bron:Overig | besluit | 21-09-2026

Incassodienstverleners die niet geregistreerd zijn, mogen vanaf 1 oktober geen incassokosten of rente in rekening brengen bij personen met schulden. Dit geldt ook voor incassowerkzaamheden bij eenmanszaken, vennoten en maatschappen. De oorspronkelijke schuld moet wel betaald worden. Het register is te raadplegen op: https://www.justis.nl/registers/register-incassodienstverlening

Hiermee treedt het laatste artikel van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki) in werking. Doel van de Wki is mensen met een schuld beter te beschermen tegen onprofessioneel handelen van incassodienstverleners. Daarom stelt de wet eisen aan de kwaliteit en betrouwbaarheid van incassodienstverleners. Denk daarbij aan opleidingseisen, goede en juiste informatie aan iemand met een schuld, inzicht in de opbouw van een schuld en incassokosten en juiste omgangsvormen.

Het gaat om incassodienstverleners in de breedste zin van het woord, namelijk alle partijen die een aanmaning naar een persoon versturen namens een derde of nadat ze de schuld gekocht hebben. Onderdeel van de Wki is dat een incassodienstverlener zich registreert. Deurwaarders en advocaten die incassodiensten verlenen, hebben geen registratieplicht, omdat zij al geregistreerd staan in het deurwaardersregister of op het tableau.

Bron:Ministerie van Justitie en Veiligheid | wetswijziging | 35.733 | 20-09-2026

Een erfgename stelt dat zij geen belastingrente verschuldigd is over de te betalen erfbelasting. De aangifte is immers tijdig ingediend en de inspecteur heeft daarna ruim twee jaar laten verstrijken voordat hij een aanslag oplegt. Daarnaast wijst zij erop dat het werkelijke rendement op het vermogen ongeveer 1% bedraagt, terwijl de rente oploopt tot 7,5%. De inspecteur houdt voet bij stuk. De wettelijke uitzondering geldt alleen als de aanslag overeenkomt met de aangifte. Daarvan is hier geen sprake.

Een te laag saldo

De aangifte is in december 2022 de deur uitgegaan en vermeldt een zuiver saldo van de nalatenschap van € 1,6 miljoen. Het erfdeel van de vrouw is goed voor ruim € 16.000 erfbelasting. Correspondentie met haar gemachtigde levert vanaf mei 2024 een heel ander beeld op. Het zuivere saldo komt uit op bijna € 2,3 miljoen en ook de erfdelen worden anders vastgesteld. De aanslag, met € 11.000 belastingrente, volgt in april 2025.

Alleen bij een gevolgde aangifte

De rechtbank volgt de inspecteur. Bij een aanslag erfbelasting wordt rente berekend vanaf acht maanden na het overlijden. De uitzonderingen in de wet zien uitsluitend op een aanslag die overeenkomstig de aangifte wordt vastgesteld. In deze zaak wijkt de aanslag op meerdere punten af. Dat de aangifte tijdig binnen is, doet daar niets aan af. Ook het verwijt dat de inspecteur niet binnen drie maanden een aanslag oplegt, treft geen doel. Die termijn is een streven. De wet geeft hem drie jaar. De belastingrente komt niet voort uit traagheid bij de Belastingdienst, maar uit fouten in de aangifte zelf. Wie het saldo en de erfdelen meteen goed vaststelt, houdt de teller op nul.

Bron:Rechtbank Noord-Nederland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNNE:2026:2793 | 13-07-2026

Een financieringsvennootschap krijgt binnen het concern een vordering van $ 207,7 miljoen op een werkmaatschappij in Kazachstan. De rente ligt ver onder de marktrente en de werkmaatschappij hoeft pas in 2031 iets te betalen. Als de vennootschap in 2018 naar Hongarije verhuist, claimt zij op die vordering een verlies van $ 37,6 miljoen. Het hof vindt dat verlies niet aftrekbaar. De vordering had vanaf het begin voor een lager bedrag op de balans moeten staan en dan is er bij vertrek geen verlies.

Minder waard dan op papier

De waarde van een vordering is niet altijd gelijk aan de nominale waarde. Stel dat iemand belooft je over vijftien jaar € 100 terug te betalen, zonder rente. Een koper betaalt daar vandaag flink minder voor, want elders levert zijn geld rente op. Die lagere prijs heet de contante waarde. De werkmaatschappij betaalt 0,1 procentpunt boven het interbancaire tarief, terwijl partijen een opslag van 2,75 procentpunt zakelijk vinden. Betalen hoeft pas op 1 februari 2031. De contante waarde van de vordering is daardoor fors minder dan $ 207,7 miljoen.

Afrekenen bij vertrek

De vennootschap zet de vordering toch voor het volle bedrag op haar balans. Voor de Belastingdienst telt zij elk jaar een zakelijke rente bij haar winst. Op 25 juli 2018 verhuist haar feitelijke leiding naar Hongarije. Bij zo'n vertrek moet er worden afgerekend alsof de vennootschap haar bezittingen verkoopt tegen de werkelijke waarde. Voor de vordering is dat $ 170,1 miljoen. Het verschil met de balanswaarde neemt de vennootschap als verlies. De inspecteur weigert de aftrek.

Meteen de lagere waarde

Volgens het hof verkrijgt de vennootschap de vordering op 9 december 2016 door een overdracht binnen het concern. Een nieuwe bezitting hoort op de balans voor haar werkelijke waarde. Hier is dat de contante waarde. Doorslaggevend is dat vóór 2031 niets opeisbaar is. Daardoor staat al bij de verkrijging vast hoeveel rente de vennootschap misloopt. Elk jaar groeit de waarde daarna richting het volle bedrag, en die groei telt als winst.

Fout alsnog hersteld

De vordering staat dus sinds 2016 te hoog op de balans. Zo'n balansfout mag de inspecteur herstellen in het oudste jaar dat nog openstaat. Hier is dat 2018: over 2017 heeft hij na de rechtbankuitspraak geen belang bij hoger beroep. Op 1 januari 2018 staat de vordering daarom voor de contante waarde van $ 166,5 miljoen op de balans. Met een waarde van $ 170,1 miljoen bij vertrek is er dus geen verlies. 

Bron:Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2026:2366 | 15-04-2026

Youngtimerregeling

Het kabinet bouwt de youngtimerregeling geleidelijker af, zodat autobedrijven en ondernemers minder abrupt geraakt worden door stijgende kosten. Deze leeftijdsgrens gaat in 2027 van 16 naar 17 jaar. Per 2028 geldt voor elke auto dat de youngtimerregeling pas kan worden toegepast als de leeftijdsgrens van 20 jaar is overschreden. Dat leidt dus tot het wegvallen van de youngtimerregeling voor auto’s die in 2027 de leeftijdsgrens van 17, 18 of 19 jaar hebben overschreden, maar nog niet de leeftijdsgrens van 20 jaar. De eerdere verhoging van de leeftijd van auto’s in de youngtimerregeling naar 25 jaar gaat niet door. 

Tijdelijke verlaging motorrijtuigenbelasting voor bestel- en vrachtauto’s

Vooruitlopend op wetgeving is bij beleidsbesluit per 1 juli 2026 een tijdelijke verlaging van de motorrijtuigenbelasting (mrb) ingevoerd voor bestel- en vrachtauto’s. Voor bestelauto’s van ondernemers is het tarief van de mrb gehalveerd. Het tarief van de mrb voor vrachtauto’s is tijdelijk op nihil gesteld. De aanpassingen gelden voor de periode van 1 juli tot en met 31 december 2026. Het Belastingplan 2027 bevat de wettelijke grondslag voor de in het beleidsbesluit opgenomen goedkeuring. De wetsartikelen, waarin de tariefverlagingen zijn opgenomen, werken terug tot en met 1 juli 2026. Met ingang van 1 januari 2027 gelden de normale wettelijke regelingen weer.

Tijdelijk verlagen vrachtwagenheffing

De vrachtwagenheffing is op 1 juli 2026 gestart. De hoogte van de vrachtwagenheffing is afhankelijk van het voor de betreffende vrachtwagen geldende tarief en het aantal kilometers dat met de vrachtwagen op heffingsplichtige wegen wordt gereden. De tarieven en heffingsplichtige wegen zijn vastgelegd in de Wet vrachtwagenheffing. Van 1 september tot en met 31 december 2026 geldt een verlaging van de tarieven met 22,3%. Die verlaging is opgenomen in een goedkeurend beleidsbesluit, vooruitlopend op wetgeving. De tijdelijke wijziging van de tarieven is opgenomen in het BP 2027 om te voorzien in de vereiste wettelijke grondslag.

Pseudo-eindheffing fossiele personenauto’s

De pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s (pefa) treedt op 1 januari 2027 in werking, zoals vastgelegd in het Belastingplan 2026. Deze heffing bedraagt 12% van de cataloguswaarde van de fossiele personenauto. Werkgevers betalen de heffing als zij zo'n auto ook voor privégebruik aan werknemers beschikbaar stellen. Woon-werkverkeer valt hier ook onder. Het kabinet stelt nu enkele aanpassingen voor om problemen die zijn opgemerkt te verminderen.

Vervangend vervoer bij onderhoud en reparatie
De pefa is niet van toepassing op een vervangende fossiele personenauto die een werknemer privé gebruikt vanwege onderhoud of reparatie van de vaste auto. Deze uitzondering geldt als de vervangingsperiode maximaal veertien dagen per onderhouds- of reparatieperiode duurt. Een bandenwissel of schadeherstel valt hier ook onder. Wordt de termijn van veertien dagen overschreden, dan is de pefa vanaf de vijftiende dag dat de vervangende auto ter beschikking is gesteld verschuldigd. De pefa geldt dan voor de gehele kalendermaand waarin de vijftiende dag valt. De uitzondering geldt niet wanneer de vaste auto niet voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, maar de vervangende auto juist wel voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld. 

Uitzondering voor lesauto’s 
Voertuigen zonder CO₂-uitstoot hebben doorgaans een automatische transmissie. Daarom worden auto’s met handgeschakelde transmissie, die worden gebruikt voor rijles, uitgezonderd van de pefa. Deze maatregel voorkomt dat het aanbieden van handgeschakelde lesauto’s wordt ontmoedigd, wat de rijvaardigheid van nieuwe automobilisten kan beperken.

Termijn overgangsrecht 
Het overgangsrecht voor auto’s die vóór 1 januari 2027 voor het eerst ter beschikking zijn gesteld, wordt verlengd tot en met 31 december 2030 (was 16 september). Dit voorkomt administratieve lasten door een einde halverwege een maand of jaar. De verlenging sluit ook beter aan bij de regeling privégebruik auto, die ook per kalenderjaar is. 

Incidentele terbeschikkingstelling
Ook komt er een nieuwe uitzondering voor tijdelijk gebruik van auto's, zoals huur- of deelauto’s. Een werkgever mag per kalenderjaar één keer een fossiele personenauto maximaal zeven aaneengesloten dagen privé beschikbaar stellen zonder de heffing te betalen. Dit geldt per fossiele auto per werkgever en per kalenderjaar. Als dezelfde auto in hetzelfde jaar aan een andere werknemer of voor een tweede periode privé wordt gebruikt, geldt de uitzondering niet. De werkgever betaalt dan de heffing over de betreffende maanden. Deze uitzondering stopt op 31 december 2030.

Anticumulatiebepaling
Er wordt een anticumulatiebepaling in de wet opgenomen om te voorkomen dat de pefa samenloopt met de pseudo-eindheffing voor hoge vertrekvergoedingen. Dit betekent dat het bedrag van de pseudo-eindheffing voor te hoge vertrekvergoedingen wordt berekend zonder het voordeel van de fossiele auto mee te tellen. Zo wordt dubbele belasting over hetzelfde bedrag voorkomen.

Bron:Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 14-09-2026