Een bedrijf, dat orthopedische maatvoetbedden maakt, heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffing van omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2021. De inspecteur van de Belastingdienst is van mening dat het algemene btw-tarief van 21% moest worden toegepast, terwijl het bedrijf meent dat het verlaagde tarief van 9% van toepassing is, omdat de voetbedden orthopedische hulpmiddelen zijn.
Wat is een maatvoetbed?
Een maatvoetbed, ook wel een op maat gemaakt voetbed genoemd, is een orthopedisch hulpmiddel, dat in schoenen wordt geplaatst om de voet te ondersteunen of te corrigeren. Dit voetbed wordt specifiek afgestemd op de vorm en de behoeften van de individuele drager. Maatvoetbedden worden vaak vervaardigd voor mensen met voetproblemen, zoals afwijkingen in de stand van de voet, pijnklachten of verloren functionaliteit door spier- of weefselverlies. Het doel van een maatvoetbed is om de voet in de juiste positie te houden, druk te verdelen en loopproblemen te verminderen.
Standpunt van de belanghebbende
De belanghebbende betoogt dat de orthopedische maatvoetbedden onder het verlaagde btw-tarief van 9% vallen, omdat ze vergelijkbaar zijn met andere orthesen, die als hulpmiddelen wel onder het verlaagde tarief vallen. De voetbedden worden op maat gemaakt voor patiënten met verloren gegane weefselstructuren en helpen de voet te corrigeren en te ondersteunen. Volgens de belanghebbende moeten deze voetbedden daarom hetzelfde behandeld worden als andere hulpmiddelen, die recht geven op het verlaagde tarief. Verder stelt de belanghebbende dat het onderscheid in de wet onduidelijk en onvoldoende onderscheidend is en dat de voetbedden ook om die reden in aanmerking zouden moeten komen voor het lage btw-tarief.
Standpunt van de inspecteur
De inspecteur stelt dat de orthopedische maatvoetbedden niet in aanmerking komen voor het verlaagde btw-tarief en belast moeten worden tegen het algemene tarief van 21%. Volgens de inspecteur kunnen de voetbedden niet worden beschouwd als orthopedische hulpmiddelen die een aanvulling vormen op ontbrekende delen van de voet, zoals vereist is voor het verlaagde tarief. Verder voert de inspecteur aan dat de voetbedden niet specifiek bedoeld zijn om scheefgroei van tenen te corrigeren of te voorkomen, hetgeen een noodzakelijke voorwaarde is om onder het verlaagde tarief te vallen. De voetbedden zijn volgens de inspecteur gericht op ondersteuning van de voet, wat onvoldoende is om in aanmerking te komen voor het lagere tarief.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat niet alle orthopedische maatvoetbedden onder het verlaagde btw-tarief vallen. Alleen voetbedden die als doel hebben scheefgroei van de tenen te corrigeren of te voorkomen en die een aanvulling vormen op ontbrekende delen van de voet, kunnen in aanmerking komen voor het verlaagde tarief. Belanghebbende slaagde er niet in te bewijzen dat alle door hem vervaardigde voetbedden aan deze voorwaarden voldeden.
Compromis ter zitting en conclusie
Tijdens de zitting bereikten beide partijen een compromis over de omzet van het eerste kwartaal van 2021. Zij kwamen overeen dat 50% van de omzet in dit kwartaal, die betrekking heeft op orthopedische maatvoetbedden, onder het verlaagde btw-tarief valt, omdat de inspecteur dat vanwege onduidelijkheid in de tekst van de wet eerder heeft toegestaan. Per 20 februari 2021 is de wettekst aangepast, waardoor de onduidelijkheid is weggenomen. Voor de resterende omzet blijft het algemene tarief van toepassing. De belanghebbende kreeg dus deels gelijk in beroep.
Praktische tips
Let goed op bij toepassing van het verlaagde tarief voor de btw. Alleen diensten en producten, die aan de gestelde vereisten voldoen, komen in aanmerking voor het verlaagde tarief. Het is essentieel aan deze voorwaarden te voldoen om problemen te voorkomen. Daarnaast is het belangrijk om uw producten zorgvuldig te documenteren. Zorg voor duidelijke productbeschrijvingen en technische specificaties, zodat u kunt aantonen dat uw producten onder het verlaagde tarief vallen. Tot slot kan het verstandig zijn om bij twijfel afspraken te maken met de Belastingdienst om toekomstige geschillen over de btw-tarieven te voorkomen.
Bron:Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLINLRBGEL2024695, ARN – 21 _ 5308 | 11-02-2024
Alleen specifieke orthopedische maatvoetbedden vallen onder verlaagd btw-tarief
Een bedrijf, dat orthopedische maatvoetbedden maakt, heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffing van omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2021. De inspecteur van de Belastingdienst is van mening dat het algemene btw-tarief van 21% moest worden toegepast, terwijl het bedrijf meent dat het verlaagde tarief van 9% van toepassing is, omdat de voetbedden orthopedische hulpmiddelen zijn.
Wat is een maatvoetbed?
Een maatvoetbed, ook wel een op maat gemaakt voetbed genoemd, is een orthopedisch hulpmiddel, dat in schoenen wordt geplaatst om de voet te ondersteunen of te corrigeren. Dit voetbed wordt specifiek afgestemd op de vorm en de behoeften van de individuele drager. Maatvoetbedden worden vaak vervaardigd voor mensen met voetproblemen, zoals afwijkingen in de stand van de voet, pijnklachten of verloren functionaliteit door spier- of weefselverlies. Het doel van een maatvoetbed is om de voet in de juiste positie te houden, druk te verdelen en loopproblemen te verminderen.
Standpunt van de belanghebbende
De belanghebbende betoogt dat de orthopedische maatvoetbedden onder het verlaagde btw-tarief van 9% vallen, omdat ze vergelijkbaar zijn met andere orthesen, die als hulpmiddelen wel onder het verlaagde tarief vallen. De voetbedden worden op maat gemaakt voor patiënten met verloren gegane weefselstructuren en helpen de voet te corrigeren en te ondersteunen. Volgens de belanghebbende moeten deze voetbedden daarom hetzelfde behandeld worden als andere hulpmiddelen, die recht geven op het verlaagde tarief. Verder stelt de belanghebbende dat het onderscheid in de wet onduidelijk en onvoldoende onderscheidend is en dat de voetbedden ook om die reden in aanmerking zouden moeten komen voor het lage btw-tarief.
Standpunt van de inspecteur
De inspecteur stelt dat de orthopedische maatvoetbedden niet in aanmerking komen voor het verlaagde btw-tarief en belast moeten worden tegen het algemene tarief van 21%. Volgens de inspecteur kunnen de voetbedden niet worden beschouwd als orthopedische hulpmiddelen die een aanvulling vormen op ontbrekende delen van de voet, zoals vereist is voor het verlaagde tarief. Verder voert de inspecteur aan dat de voetbedden niet specifiek bedoeld zijn om scheefgroei van tenen te corrigeren of te voorkomen, hetgeen een noodzakelijke voorwaarde is om onder het verlaagde tarief te vallen. De voetbedden zijn volgens de inspecteur gericht op ondersteuning van de voet, wat onvoldoende is om in aanmerking te komen voor het lagere tarief.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat niet alle orthopedische maatvoetbedden onder het verlaagde btw-tarief vallen. Alleen voetbedden die als doel hebben scheefgroei van de tenen te corrigeren of te voorkomen en die een aanvulling vormen op ontbrekende delen van de voet, kunnen in aanmerking komen voor het verlaagde tarief. Belanghebbende slaagde er niet in te bewijzen dat alle door hem vervaardigde voetbedden aan deze voorwaarden voldeden.
Compromis ter zitting en conclusie
Tijdens de zitting bereikten beide partijen een compromis over de omzet van het eerste kwartaal van 2021. Zij kwamen overeen dat 50% van de omzet in dit kwartaal, die betrekking heeft op orthopedische maatvoetbedden, onder het verlaagde btw-tarief valt, omdat de inspecteur dat vanwege onduidelijkheid in de tekst van de wet eerder heeft toegestaan. Per 20 februari 2021 is de wettekst aangepast, waardoor de onduidelijkheid is weggenomen. Voor de resterende omzet blijft het algemene tarief van toepassing. De belanghebbende kreeg dus deels gelijk in beroep.
Praktische tips
Let goed op bij toepassing van het verlaagde tarief voor de btw. Alleen diensten en producten, die aan de gestelde vereisten voldoen, komen in aanmerking voor het verlaagde tarief. Het is essentieel aan deze voorwaarden te voldoen om problemen te voorkomen. Daarnaast is het belangrijk om uw producten zorgvuldig te documenteren. Zorg voor duidelijke productbeschrijvingen en technische specificaties, zodat u kunt aantonen dat uw producten onder het verlaagde tarief vallen. Tot slot kan het verstandig zijn om bij twijfel afspraken te maken met de Belastingdienst om toekomstige geschillen over de btw-tarieven te voorkomen.
Stand van zaken Wet rechtsherstel box 3 en Overbruggingswet box 3
De staatssecretaris van Financiën heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de Wet rechtsherstel box 3 en de Overbruggingswet box 3. Naar aanleiding van rechtspraak van de Hoge Raad moeten belastingplichtigen de kans krijgen om aannemelijk te maken dat zij een lager rendement dan het forfaitaire rendement hebben behaald op hun vermogen in box 3. Daarmee wordt in feite een tegenbewijsregeling geïntroduceerd in box 3.
De Hoge Raad heeft uitgangspunten gegeven voor het bepalen van het werkelijke rendement. Het werkelijke rendement omvat het directe rendement, zoals rente, dividend en huur, maar ook de positieve en negatieve waardeveranderingen van de vermogensbestanddelen. Ook ongerealiseerde waardeveranderingen behoren tot het werkelijke rendement. Volgens de Hoge Raad moet geen rekening gehouden worden met kosten. Dit is opmerkelijk, aangezien kosten het rendement verlagen.
De staatssecretaris geeft aan dat wetgeving in voorbereiding is om de heffing in box 3 in overeenstemming te brengen met de jurisprudentie van de Hoge Raad. Hij vindt het wenselijk dat het rendementsbegrip voor iedereen en voor de Belastingdienst duidelijk is en uniform wordt toegepast. Daarom zullen in de wetgeving de regels voor het bepalen van het werkelijk behaalde rendement worden opgenomen. Onderwerpen, waar de Hoge Raad zich niet expliciet over heeft uitgesproken, zullen worden uitgewerkt. Uitgangspunt is dat zoveel mogelijk wordt aangesloten bij het rendementsbegrip dat de wetgever bij de vormgeving van het forfaitaire stelsel in box 3 voor ogen had. De planning is om in het eerste kwartaal van 2025 het wetsvoorstel in te dienen bij de Tweede Kamer, met het oog op inwerkingtreding per 1 juni 2025.
De tegenbewijsregeling staat open voor de volgende belastingplichtigen:
Bepaling werkelijk behaald rendement
Eigen gebruik van onroerende zaken
Het eigen gebruik van een onroerende zaak is onderdeel van het werkelijke rendement. Dit rendement is gelijk aan de economische huurwaarde van de onroerende zaak. Naar verwachting zal de Hoge Raad dit najaar uitspraak doen over het werkelijke rendement van een woning in eigen gebruik.
Aan- en verkoop van woningen gedurende het jaar
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat voor de waardering van woningen in box 3 moet worden aangesloten bij de WOZ-waarde. Bij de aan- en verkoop van een woning wordt de waardeontwikkeling in het kalenderjaar op basis van de WOZ-waarde tijdsevenredig verdeeld tussen de verkoper en koper.
Voorkoming dubbele belasting
Een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting wordt berekend naar de verhouding van het werkelijke buitenlandse rendement in box 3 deel en het totale werkelijke rendement in box 3.
Toepassing schuldendrempel
De in de wet opgenomen schuldendrempel in box 3 van € 3.700 (bedrag 2024) wordt bij het bepalen van het werkelijke rendement buiten toepassing gelaten.
Toepassing vrijstelling groene beleggingen
De grens voor groene beleggingen is gekoppeld aan de peildatum 1 januari. Voor het berekenen van het werkelijke rendement van groene beleggingen wordt de daarvoor geldende vrijstelling toegepast naar rato van de situatie op de peildatum. Bij een vrijstelling van € 30.000 wordt bij een belastingplichtige met op 1 januari € 60.000 aan groene beleggingen 50% van het werkelijke rendement vrijgesteld.
Verplichte aanwezigheid voor aanvang dienst is betaalde werktijd
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van een werkgever tegen een uitspraak van Hof Den Haag zonder nadere motivering ongegrond verklaard.
De procedure betrof de loonvordering van een werknemer van een callcenter. Volgens de planningsregels van de werkgever moet de werknemer tien minuten voor de aanvang van zijn dienst aanwezig zijn, om op tijd met de werkzaamheden te kunnen beginnen. De vraag is of deze tien minuten als betaalde werktijd zijn aan te merken. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend.
Eerder in de procedure heeft de kantonrechter geconstateerd dat de werknemer op grond van zijn arbeidsovereenkomst gebonden is aan de planningsregels. Daarin staat uitdrukkelijk vermeld dat de werknemer zich tien minuten voor zijn dienst dient te melden bij zijn leidinggevende. Dat de werkgever dit niet controleert en dat geen sanctie volgt als de werknemer zich één of enkele minuten te laat meldt, doet niet af aan de verplichting. De leidinggevende ontvangt automatisch een melding wanneer een werknemer later dan het aanvangstijdstip van zijn dienst met zijn werkzaamheden begint. Voor de aanvang van de werkzaamheden dient de werknemer in te loggen op zijn computer en telefoon en verschillende programma’s te starten. Dat kost ook volgens de werkgever zeker enkele minuten. De kantonrechter leidt daaruit af dat de tienminutenregel van de planning niet vrijblijvend is.
De tien minuten zijn door de werkgever te betalen arbeidstijd, omdat de werknemer geacht wordt aanwezig te zijn op de werkplek en beperkt is in de mogelijkheden die tijd aan eigen zaken te besteden. Dat hij in die tijd nog niet productief is voor de werkgever vindt het hof niet van belang.
Uitstel inwerkingtredingsdatum bedrag ineens
De minister van SZW heeft de Tweede Kamer laten weten dat de mogelijkheid om een deel van het pensioenkapitaal in één keer te laten uitkeren niet eerder dan per 1 juli 2025 kan worden ingevoerd. De vorige minister had de Kamer eerder meegedeeld dat dit keuzerecht bedrag ineens op zijn vroegst op 1 januari 2025 in werking zou kunnen treden. De parlementaire behandeling van het wetsvoorstel herziening bedrag ineens zal in de week van 24 september 2024 plaatsvinden. Pensioenuitvoerders hebben aangegeven dat voor het tijdig informeren van deelnemers ten minste een periode van zes maanden nodig is. Dat betekent dat de voorgenomen inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2025 niet haalbaar is.
De uiteindelijke datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel is uiteraard afhankelijk van de voortgang van de behandeling in de Tweede en de Eerste Kamer.
Koopprijs of taxatiewaarde: waarover wordt overdrachtsbelasting betaald?
Een jong stel heeft een woning gekocht. Bij de levering is overdrachtsbelasting betaald over de getaxeerde waarde van de woning, die hoger is dan de betaalde koopsom. De vraag is of de koopprijs of de hogere taxatiewaarde als maatstaf moet dienen voor de heffing van overdrachtsbelasting. Afhankelijk van het antwoord op deze vraag is de startersvrijstelling al dan niet van toepassing.
Standpunt kopers
De kopers hebben de woning gekocht voor € 395.000. De woning is door een taxateur echter getaxeerd op € 430.000. De kopers hebben de woning aangekocht om deze als hoofdverblijf te gebruiken en hebben bij de aangifte overdrachtsbelasting een beroep gedaan op de startersvrijstelling. Daarvoor geldt dat de waarde van de woning onder een zekere grens moet liggen. Destijds bedroeg deze grens € 400.000. De kopers menen dat de koopsom bepalend is voor de heffing van overdrachtsbelasting.
Standpunt inspecteur
De inspecteur betoogt dat de maatstaf voor de heffing van overdrachtsbelasting de getaxeerde waarde van € 430.000 moet zijn, aangezien dit bedrag de waarde in het economisch verkeer zou vertegenwoordigen. De inspecteur stelt bovendien dat de koopprijs van € 395.000 afwijkt van de marktwaarde, mede omdat de woning niet openbaar is aangeboden en de verkoper een bekende was van de kopers.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank volgt het standpunt van de inspecteur en oordeelt dat de taxatiewaarde van € 430.000 als uitgangspunt dient voor de heffing van overdrachtsbelasting. Dit betekent dat de startersvrijstelling niet van toepassing is, omdat de waarde hoger is dan de grens van € 400.000.
Oordeel van het hof
In hoger beroep komt Hof Den Haag tot een ander oordeel. Het hof oordeelt dat de transactie tussen onafhankelijke partijen heeft plaatsgevonden en dat de overeengekomen koopprijs van € 395.000 niet afwijkt van de waarde in het economisch verkeer. Het taxatierapport, dat voor financieringsdoeleinden is opgesteld door een vriendin van de kopers, heeft het hof terzijde geschoven. Het hof oordeelt dat de koopprijs van € 395.000 als maatstaf voor de heffing van overdrachtsbelasting moet worden gehanteerd.
Wettelijk kader en gevolgen
Overdrachtsbelasting wordt berekend over de waarde van de onroerende zaak. Volgens de Wet op belastingen van rechtsverkeer is de waarde ten minste gelijk aan de tegenprestatie. De waarde van een woning moest destijds onder de grens van € 400.000 liggen om in aanmerking te komen voor de startersvrijstelling. Het hof oordeelt dat de waarde van de woning in dit geval € 395.000 bedroeg, waardoor de startersvrijstelling van toepassing was. Dit betekent dat de kopers recht hebben op teruggaaf van de betaalde overdrachtsbelasting.
Conclusie
Het hof heeft duidelijk gemaakt dat de tussen onafhankelijke partijen overeengekomen koopprijs doorgaans de juiste maatstaf is voor de heffing van overdrachtsbelasting, mits er geen sprake is van marktverstorende omstandigheden. Twijfelt u bij de aankoop van een woning over de juiste toepassing van de overdrachtsbelasting of de startersvrijstelling? Neem contact met ons op voor deskundig advies en begeleiding.
Geen vrijval van herinvesteringsreserve door weigering van vergunning
Een tuinbouwer heeft een gedeelte van zijn grond verkocht en een herinvesteringsreserve (hierna: HIR) gevormd om belastingheffing over de verkoopwinst uit te stellen. De herinvesteringsreserve moest uiterlijk in 2014 worden afgeboekt op vervangende investeringen, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die uitstel rechtvaardigen. De kern van de zaak betreft de vraag in hoeverre een belastingplichtige aannemelijk moet maken dat een investering is vertraagd door bijzondere omstandigheden en dat een begin van uitvoering is gegeven.
Wettelijk kader: afboeken binnen drie jaar
Volgens de wettelijke regels moet een HIR in principe binnen drie jaar na afloop van het jaar, waarin deze is gevormd, worden afgeboekt op een nieuwe investering. Als binnen deze periode geen nieuwe investering plaatsvindt, valt de HIR vrij en wordt deze als winst in de belastingheffing betrokken. Verlenging van de driejaarstermijn is mogelijk wanneer de aanschaf of voortbrenging van het nieuwe bedrijfsmiddel door bijzondere omstandigheden is vertraagd en er al een begin van uitvoering is gegeven.
Standpunt van de tuinbouwer
De ondernemer, vennoot in een tuinbouw-VOF, stelde dat de HIR ten onrechte per 31 december 2014 is vrijgevallen. Hij voerde aan dat de geplande investering in een vervangend bedrijfsmiddel is vertraagd door de weigering van de gemeente om een bouwvergunning af te geven. De gemeente beriep zich op een bouwverbod voor de locatie waar de schuur zou moeten worden gebouwd. Volgens de ondernemer was al een begin van uitvoering gegeven door het ondertekenen van een aannemingsovereenkomst. Uiteindelijk is de bouw van de schuur pas in 2022 gerealiseerd.
Standpunt van de inspecteur
De inspecteur betoogde dat de HIR terecht is vrijgevallen. Volgens hem heeft de ondernemer niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de driejaarstermijn, omdat geen daadwerkelijk begin van uitvoering is gegeven aan de bouw van de schuren. De inspecteur wees erop dat in 2014 geen fysieke werkzaamheden waren gestart en dat de ondernemer slechts de intentie had om te investeren.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat de ondernemer niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van bijzondere omstandigheden die de vertraging van de investering rechtvaardigden. Het enkel overleggen van een aannemingsovereenkomst volstond volgens de rechtbank niet om aan te tonen dat een begin van uitvoering was gegeven aan de investering.
Oordeel van het hof
In hoger beroep kwam het hof echter tot een ander oordeel. Het hof is van oordeel dat het standpunt van de gemeente, dat sprake is van een bouwverbod, een bijzondere omstandigheid vormt. Het hof twijfelde niet aan de verklaring van de tuinbouwer, dat op basis van het bestemmingsplan geen bouwverbod gold. De weigering van de gemeente om een bouwvergunning te verlenen vanwege het vermeende bouwverbod is een buiten de invloedsfeer van de tuinbouwer liggende omstandigheid. Daarnaast oordeelde het hof dat met het ondertekenen van de aannemingsovereenkomst voldoende aannemelijk is gemaakt dat er een begin van uitvoering was gegeven aan de investering. Volgens het hof is aan de wettelijke voorwaarden voldaan, ondanks dat de bouw van de schuren uiteindelijk pas in 2022 werd gerealiseerd. De ondernemer hoefde de herinvesteringsreserve van € 91.500 niet in zijn winst van 2014 op te nemen.
Conclusie
Dit arrest benadrukt het cruciale belang van een nauwkeurige onderbouwing en documentatie bij het toepassen van een herinvesteringsreserve. Als u zich in een vergelijkbare situatie bevindt of vragen heeft over het gebruik van de HIR in uw specifieke geval, is het essentieel om tijdig deskundig advies in te winnen.
Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025
Met de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2024 zijn de volgende maatregelen ingevoerd in de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) en de doorschuifregelingen aanmerkelijk belang (DSR ab):
De eerste maatregel is per 1 januari 2024 in werking getreden. De maatregelen 2 tot en met 8 treden in werking op 1 januari 2025.
Het wetsvoorstel Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025 bevat de volgende maatregelen in de BOR en de DSR ab:
Aanpassingen kindgebonden budget
Het kabinet stelt een aantal aanpassingen van het kindgebonden budget voor. Het maximumbedrag voor het eerste kind gaat van € 2.436 in 2024 naar € 2.511. De afbouw van de bedragen gaat van 6,75% in 2024 naar 7,10%. De verhoging van het kindgebonden budget voor een ouder, die geen partner heeft, daalt van € 3.480 naar € 3.389 in 2025.
Daarnaast stelt het kabinet de volgende aanpassingen voor:
Voorstellen dividendbelasting
Behoud inkoopfaciliteit
In Nederland is de inkoop van aandelen in principe belast met dividendbelasting. Op basis van de inkoopfaciliteit in de dividendbelasting is een aandeleninkoop door een beursfonds onder voorwaarden vrijgesteld van dividendbelasting. Deze inkoopfaciliteit is ingevoerd zodat de inkoop van aandelen door Nederlandse beursfondsen fiscaal niet nadeliger wordt behandeld dan de inkoop van aandelen door buitenlandse concurrenten. Met het Belastingplan 2024 zou de inkoopfaciliteit per 1 januari 2025 worden afgeschaft. Dat wordt teruggedraaid.
Wijziging inhoudingsvrijstelling
Voorgesteld wordt om de keuzemogelijkheid voor een inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting aan te passen. Indien een inhoudingsvrijstelling van toepassing is, hoeft geen dividendbelasting te worden ingehouden. Toepassing van de inhoudingsvrijstelling in deelnemingssituaties en binnen een fiscale eenheid is nu een keuze. Deze keuzemogelijkheid vervalt; de inhoudingsvrijstelling wordt in deze situaties verplicht.
Energiebelastingen
Wijziging energiebelastingtarieven op aardgas
De energierekening voor aardgas is de afgelopen jaren gestegen door de verhoging van de leveringstarieven, netbeheerskosten en energiebelastingtarieven. Ter compensatie stelt het kabinet voor de energiebelasting op aardgas tot een verbruik van 170.000 m3 te verlagen met 2,8 cent per m3 in 2025, oplopend naar 4,8 cent per m3 in 2030 (in prijspeil 2024).
Separaat tarief voor waterstof in de energiebelasting
In de energiebelasting wordt energetisch verbruik van waterstof nu nog hetzelfde belast als energetisch verbruik van aardgas. Het kabinet wil per 1 januari 2026 een separaat tarief invoeren voor het energetisch verbruik van waterstof in de energiebelasting. Dat tarief zal lager zijn dan het tarief voor aardgas. Daarmee wordt voorkomen dat de energiebelasting een remmende werking heeft op de energetische toepassing van waterstof waar het als vervanging kan dienen voor aardgas.
Grondslag groen gas
Onder de CO2-heffing glastuinbouw moet belasting worden betaald over het aantal ton kooldioxide dat is veroorzaakt op basis van het aantal normaalkubiekemeters aardgas dat door het glastuinbouwbedrijf of het energiebedrijf voor glastuinbouw is verstookt. Onder de huidige CO2-heffing wordt ook het gebruik van groen gas belast. Het kabinet vindt dit onwenselijk. Het uitzonderen van groen gas in de heffingsgrondslag is complex. De grondslag wordt daarom nog niet in dit Belastingplan gewijzigd. Het kabinet heeft het voornemen om de CO2-heffing glastuinbouw in 2025 te evalueren.
Accijns
De accijnstarieven voor ongelode benzine, diesel en LPG zijn sinds 1 april 2022 verlaagd. Per 1 juli 2023 is de verlaging gedeeltelijk teruggedraaid. Het kabinet stelt voor om deze verlaagde accijnstarieven te verlengen tot en met 31 december 2025. Evenals per 1 januari 2024 worden de tarieven per 1 januari 2025 niet geïndexeerd.