Zelfs als een werkgever de sleutels van een bedrijfsauto beheert, kan hij fiscaal gezien deze auto ter beschikking stellen aan zijn werknemers. In beginsel moet de werkgever dan de bijtelling wegens privégebruik toepassen, tenzij hij aannemelijk maakt dat de werknemers minder dan 500 privékilometers op jaarbasis met deze auto rijden.
Een exploitant van een tankstation inclusief shop en verhuurbedrijf bezit een busje. Dit busje wordt gebruikt voor verhuur aan klanten en voor het transport van spullen tussen het tankstation en een detailhandel in levensmiddelen. Volgens de inspecteur stelt de exploitant het busje ter beschikking aan zijn werknemers. De fiscus maakt dit standpunt aannemelijk door op diverse omstandigheden te wijzen. De werkgever oefent het beheer over de autosleutels uit, maar een werknemer kan vrijelijk over het busje beschikken wanneer hij eenmaal de sleutels heeft ontvangen. De werkgever beweert dat privégebruik met het busje is verboden, maar hij heeft geen schriftelijk verbod op privégebruik opgesteld. Daarom is volgens zowel de fiscus als Hof Den Bosch sprake van terbeschikkingstelling van een auto aan werknemers. Het is vervolgens aan de werkgever om aannemelijk te maken dat het privégebruik onder de 500-kilometergrens is gebleven. Dit lukt de exploitant echter niet, mede omdat zijn werknemers geen rittenregistratie hebben bijgehouden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel van de werkgever faalt eveneens. De Belastingdienst heeft namelijk tijdens controles in eerdere jaren al kritische opmerkingen over de administratie gemaakt. De werkgever mag daardoor niet erop vertrouwen dat een bijtelling altijd achterwege kan blijven. Het hof oordeelt dat de inspecteur terecht een correctie vanwege privégebruik van het busje heeft toegepast.
Bron: Hof Den Bosch 17-05-2019

De Belastingdienst is gestart met de uitgifte van nieuwe btw-identificatienummers voor ondernemers met een eenmanszaak.
In het huidige btw-nummer van ondernemers met een eenmanszaak is hun BSN verwerkt. Dat is een inbreuk op de privacy en er ontbreekt een wettelijke grondslag voor, zo oordeelde de Autoriteit Persoonsgegevens in 2017. Daarom is de Belastingdienst gestart met het toekennen van nieuwe btw-nummers.
Vanaf 10 oktober 2019 ontvangen de eerste groep mensen met een eenmanszaak van de Belastingdienst een nieuw-identificatienummer, het btw-id. In dit nummer is niet langer het BSN verwerkt, zodat de privacy van ondernemers beter is gewaarborgd. Het nieuwe btw-id is geldig vanaf 1 januari 2020.
Ondernemers die een nieuw btw-id ontvangen hebben tot 1 januari 2020 de tijd om de noodzakelijke voorbereidingen te treffen, zoals het aanpassen van het briefpapier en het informeren van de boekhouder. Ook moeten ondernemers dit btw-id vanaf 1 januari 2020 op facturen en hun website vermelden om zich te identificeren als btw-plichtig ondernemer.
Het btw-id is alleen bedoeld als btw-identificatienummer richting klanten en leveranciers. In de communicatie met de Belastingdienst en voor de btw-aangifte moeten de ondernemers nog wel hun huidige btw-nummers gebruiken. Dit nummer, bestaande uit het BSN met de toevoeging B01 of hoger, wordt voortaan aangeduid als omzetbelastingnummer.
Bron: Belastingdienst 10-10-2019

Nederland stapt steeds sneller over op ledverlichting en ook de vraag naar nieuwe technologieën als smart lighting en human centric lighting groeit enorm. Een grote uitdaging bij het voldoen aan deze vraag is het kennisniveau van installateurs. Dat blijkt uit de vierde editie van het Nationaal LED + Elektro Trendrapport dat onlangs is gepresenteerd.
Het Nationaal LED + Elektro Trendrapport is gebaseerd op een onderzoek onder fabrikanten, installatiebedrijven, groothandels en andere bedrijven uit de verlichtingssector. Het onderzoek werd uitgevoerd door onderzoeksbureau Dutch New Energy Research in opdracht van vakbeurs LED + Elektro.
Het merendeel van de respondenten verwacht dat er de komende jaren meer vraag zal zijn naar smart lighting (lampen met eigen sensoren die zichzelf in of uit kunnen schakelen) en human centric lighting (lampen die inspelen op de behoeften van een specifieke gebruiker). Deze nieuwe technologieën kunnen zorgen voor lagere energiekosten en een hogere productiviteit.
De snelheid waarmee die technologieën nu opkomen betekent echter wel dat de kennis van elektriciens snel veroudert. Volgens de onderzoekers is het daarom belangrijk dat de elektrotechnische sector de komende vijf jaar stevig investeert investeren in het kennisniveau van personeel en opleidingen van vooral installateurs. Brancheorganisaties Techniek Nederland en Fedet-NLA reageren op deze uitdaging door een nieuwe cursus en erkenningsregeling Binnenverlichting te lanceren.
Bron: Techniek Nederland 11-10-2019

Volgens ondernemersorganisatie FME heeft waterstoftechnologie de potentie om een zeer belangrijk exportproduct van Nederland te worden. Dat blijkt uit het waterstofrapport dat FME in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft uitgebracht.
Volgens FME heeft Nederland het potentieel om een waterstof-hub te worden. “Nederland kan koploper worden bij het produceren, gebruiken en exporteren van waterstof en heeft daartoe een goede uitgangspositie: een uitstekende gasinfrastructuur die her-inzetbaar is voor transport van duurzame waterstof, een flink potentieel aan offshore-wind voor de productie van groene waterstof en een industrie die de sterke wil heeft om te verduurzamen”, aldus FME-voorzitter Ineke Dezentjé. Waterstof kan niet alleen helpen onze ambitieuze klimaatdoelen te halen, maar kan ook duurzame economische groei en banen scheppen.
Om over te stappen op waterstof als belangrijke energiedrager, is een grote verbouwing in de industrie, vergelijkbaar met die van de overstap van kolen naar aardgas in de zestiger jaren van de vorige eeuw, noodzakelijk. Technologisch gezien is alles mogelijk, maar de kosten van alle aanpassingen zijn hoog en de sector moet wel concurrerend blijven. Dat kan zij niet alleen. Hiervoor moet volgens FME de waterstofsector de nodige aandacht en financiering van de overheid krijgen die het, gezien de enorme potentie voor de Nederlandse economie en de CO2-doelstellingen, verdient.

Maakt u zakelijk gebruik van social media en wilt u de daaraan besteedde tijd meetellen voor het urencriterium? Dan moet u wel in meer dan algemene bewoordingen het zakelijk karakter van het social mediagebruik aannemelijk kunnen maken. Een onderneemster die twee derde van haar tijd aan social media besteedde, slaagde daar niet in.
Een echtpaar drijft in VOF-verband een ICT-bedrijf. Over 2016 vraagt de inspecteur van de vrouw een specificatie van haar uren. Volgens die specificatie heeft zij 1.352 uren in de onderneming gewerkt, waarvan 600 uur zijn besteed aan social media en 300 uren aan overige media. Volgens de inspecteur is niet aannemelijk gemaakt dat zij die uren daadwerkelijk aan de onderneming heeft besteed en hij corrigeert de zelfstandigenaftrek in de aangifte.
Het geschil over de 900 uren wordt voorgelegd aan Rechtbank Noord-Nederland. De vrouw geeft aan dat zij via social media diverse hashtags op Twitter en verschillende ondernemersgroepen op Facebook volgt. Volgens haar is de reactiesnelheid op de diverse uitingen van groot belang. Door als eerste te reageren wordt de naamsbekendheid van de onderneming vergroot en is de onderneming beter in staat potentiële nieuwe klanten aan te trekken. De berichtenstroom gaat continue door en dat vereist dat zij doorlopend op social media aanwezig (stand-by) is. Daarnaast dient het gebruik van social media ook om concurrenten te volgen en de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van ICT bij te houden. De uren die zij aan overige media besteed, wordt gebruikt voor het volgen van tv, radio en kranten. Dit draagt bij aan de representatieve functie van het bedrijf en stelt haar in staat om direct te kunnen reageren op nieuwe projecten in de regio. Ook luistert zij naar de radio om op de hoogte te blijven van de nieuwste ontwikkelingen en alert te blijven op wat er in het bedrijfsleven speelt.
Hoewel de rechtbank er niet aan twijfelt dat zij dagelijks veelvuldig gebruik maakt van diverse (social) media, maakt zij volgens de rechtbank niet aannemelijk dat dit gebruik ziet op werkzaamheden voor de onderneming. Over de aard van het zakelijk gebruik van (social) media heeft zij slechts in zeer algemene bewoordingen iets gesteld, terwijl de totale omvang van deze werkzaamheden – een stelpost van 3 uur per dag gedurende 300 dagen – nagenoeg twee derde deel van haar totale werkzaamheden uitmaakt. Volgens de rechtbank is onvoldoende aannemelijk dat deze uren (social-)mediagebruik zien op werkzaamheden die de onderneming betreffen.
Bron: Rb. Noord-Nederland 25-07-2019 (publ. 08-10-2019)

Sluit een werkgever een verzekering af voor zijn werknemers, dan zijn de eventuele uitkeringen hieruit in principe belast. Dit is echter niet het geval indien de werkgever bij het afsluiten van de polis niet heeft gehandeld als werkgever.
Een lid van de vrijwillige brandweer raakt tijdens bluswerkzaamheden gewond. Aan het ongeval houdt hij blijvend letsel over. Hij ontvangt vervolgens letselschade-uitkeringen uit een ongevallenverzekering die op grond van een cao door de veiligheidsregio, de organisatie die verantwoordelijk is voor de brandweer, was afgesloten. Volgens de Belastingdienst zijn deze uitkeringen belast loon. De man stelt dat deze uitkeringen maatschappelijk niet worden gezien als beloning en dus geen loon vormen.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat vergoedingen die niet naar algemene maatschappelijk opvattingen als beloningsvoordeel worden ervaren toch tot het loon kunnen behoren. Dit is het geval als de gerechtigde zulke vergoedingen ontleent aan een rechtspositionele regeling of afspraken in de arbeidsovereenkomst. Deze situatie doet zich hier voor. Maar hier is eveneens sprake van een uitzondering op de hoofdregel. De veiligheidsregio heeft namelijk de ongevallenverzekering niet in haar hoedanigheid van werkgever afgesloten, maar als uitvoerder van haar publieke taak: het beschermen tegen risico’s van rampen en crises. Dit blijkt mede uit de omstandigheid dat de polisdekking uitsluitend ziet op activiteiten die betrekking hebben op de (in)directe brandweertaken. De rechtbank oordeelt daarom dat de letselschade-uitkeringen in dit geval geen belast loon zijn.
Bron: Rb. Noord-Nederland 3-09-2019 (publ. 8-10-2019)

Inclusief personeelsbeleid heeft, ondanks de economische groei, geen hoge prioriteit bij werkgevers. Werkgevers vinden thema’s als inclusieve arbeidsmarkt en duurzame inzetbaarheid wel belangrijk, maar er worden niet altijd concrete maatregelen genomen. Dit blijkt uit de SCP-studie ‘Arbeidsmarkt in kaart: werkgevers – editie 2’.
Een gunstige economische situatie is een voedingsbodem voor investeringen van werkgevers in duurzame inzetbaarheid en een inclusieve arbeidsmarkt. Volgens het Sociaal Cultureel Planbureau is er echt er op dit vlak nog winst te behalen. Werkgevers voelen zich vaak wel verantwoordelijk, maar nemen niet altijd concrete maatregelen of er wordt gewacht op de overheid. De gunstige economische situatie zorgt ook voor knelpunten, zoals de krapte op de arbeidsmarkt het hogere werkdruk.
De meeste werkgevers vinden het hun verantwoordelijkheid om de combinatie arbeid en zorg te ondersteunen en dit aandeel neemt licht toe (van 77% naar 81% in de periode 2011-2017). Bijna de helft (45%) van de organisaties heeft thuiswerkers. Dit steeg in de periode 2003-2011 sterk, van 19% naar 45%, maar bleef daarna constant. Flexibel werken is niet in alle werksituaties mogelijk en verschilt tussen sectoren. In de sectoren overheid en zakelijke dienstverlening komt thuiswerken en zelf begin- en eindtijden bepalen het vaakst voor. Ook hangt het af van het functieniveau of deeltijdwerk mogelijk is.
Mensen met een arbeidsbeperking in dienst nemen, heeft bij veel werkgevers nog geen hoge prioriteit. Twee derde van de werkgevers voelt zich (enigszins) verantwoordelijk om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen, maar dit wil nog niet zeggen dat ze ook plekken creëren voor mensen met een arbeidsbeperking. Slechts 11% van de werkgevers denkt in de komende twee jaar (meer) mensen uit deze doelgroep in dienst te nemen.
De meeste werkgevers vinden dat 55-plussers even goed (of beter) functioneren als jongere werknemers. Wel vindt ruim een vijfde dat de productiviteit van 55-plussers lager ligt dan hun loonkosten rechtvaardigen. In het personeelsbeleid nemen ontlastende maatregelen (zoals minder uren werken) af, terwijl ontwikkelmaatregelen (zoals scholing) constant blijven. Ook zijn er steeds minder regelingen voor vervroegd uittreden.
Bron: SCP 9-10-2019

In 2018 zijn er in totaal 160.000 klachten binnengekomen bij aanbieders van verzekeringen. De klachten betroffen zowel particuliere als zakelijke verzekeringen. Het merendeel van de klachten betreft de twintig grootste aanbieders. Bijna de helft van de klachten had betrekking op zorgverzekeringen.
Voor het eerst hebben aanbieders van verzekeringen aan AFM een rapportage gestuurd van de klachten die bij hen binnenkomen. Deze klachtenrapportage geeft het aantal geregistreerde klachten per fase van de dienstverlening weer. De klachtenrapportage zegt niets over of een klacht gegrond was en hoe deze is afgehandeld. De rapportage betreft aanbieders van verzekeringen met een Nederlandse vergunning en buitenlandse aanbieders met een bijkantoor in Nederland.
Het merendeel (90%) van alle 160.000 unieke klachten bleek afkomstig van 20 van de 178 verzekeraars, die qua premieomvang en aantal polissen de grootste van alle marktpartijen zijn. Bijna de helft van het aantal gerapporteerde klachten was afkomstig uit de (grootste) deelmarkt zorg. Daarna volgen de deelmarkten schade (58.000 klachten) en leven (27.000 klachten).
Deze eerste rapportage fungeert als een nulmeting. De AFM zal aanbieders van verzekeringen elk jaar vragen om informatie over lopende, ontvangen en afgesloten klachten te rapporteren. De jaarlijkse klachtenrapportage moet AFM helpen bij het efficiënter en effectiever maken van het toezicht. AFM zal de gegevens ook delen met de Europese pensioen- en verzekeraarstoezichthouder EIOPA voor het jaarlijkse Consumer Trends Report.
Bron: AFM 3-10-2019

Een werkneemster stelt dat zij in Nederland niet belasting- en premieplichtig was omdat ze haar werkzaamheden deels in het buitenland verrichtte, maar hiervoor leverde zij volgens Hof Den Bosch nog geen begin van een bewijs.
Een werkneemster was in 2011 woonachtig in België. Sinds 1999 werkt zij als redactrice van een tijdschrift bij een in Nederland gevestigde uitgeverij. De overeengekomen arbeidsduur bedraagt 32 uur per week. Niet vermeld is waar zij die arbeid moet verrichten.
Over haar salaris houdt de werkgever loonheffing in. In haar aangifte IB/PVV over 2011 stelt de redactrice dat zij niet belasting- en premieplichtig is in Nederland omdat zij een deel van haar tijd in het buitenland werkte. De inspecteur is het hier niet mee eens en het geschil wordt voorgelegd aan de rechter.
Hof Den Bosch oordeelt in navolging van Rechtbank Zeeland West-Brabant dat de redactrice belasting- en premieplichtig is in Nederland. Niet in geschil is dat zij moet worden aangemerkt als buitenlands belastingplichtige. Toepassing van de redelijke verdeling van de bewijslast heeft, naar het oordeel van het hof, tot gevolg dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat zij in Nederland heeft gewerkt. Volgens het hof maakt de inspecteur aannemelijk dat de redactrice in het kader van haar dienstbetrekking de werkzaamheden heeft verricht in Nederland. Zij maakt het tegendeel niet aannemelijk. Het hof stelt daarbij vast dat zij geen begin van bewijs heeft geleverd met betrekking tot haar stelling dat zij in het kader van haar dienstbetrekking werkzaamheden in het buitenland heeft verricht. Ook haar stelling dat zij in België aangifte personenbelasting heeft gedaan, overtuigt het hof niet. Ook voor deze stelling heeft zij geen bewijsstukken overgelegd. De conclusie is dat zij in Nederland belasting- en premieplichtig is.
Bron: Hof Den Bosch 2-05-2019 (publ. 20-09-2019)

De gemachtigde van een dga meldt aan de Belastingdienst dat in een bepaald jaar is besloten tot kwijtschelding van de rente die de dga verschuldigd was over een lening van zijn bv. Volgens de dga was dit echter in een later jaar, maar hij laat het na dit met bewijsstukken te onderbouwen. als hij van mening is dat de kwijtschelding in een ander jaar heeft plaatsgevonden.
Een dga had in 2014 een schuld van € 5,1 miljoen aan zijn bv. Die bracht € 54.940 aan rente over die schuld aan haar dga in rekening. Deze rente bleef de dga in eerste instantie schuldig, later schold de bv de rente kwijt. In geschil bij Hof Den Haag is of de kwijtschelding kwalificeert als inkomen uit aanmerkelijk belang. Het hof oordeelt dat de dga een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang heeft genoten als het besluit tot kwijtschelding in 2014 is genomen.
De brief van de gemachtigde van de dga vermeldde dat in 2014 het besluit tot kwijtschelding was genomen. De dga stelt echter dat het besluit in 2016 is genomen. Het hof vindt dat de dga deze stelling nader had moeten onderbouwen met stukken. Dat heeft de dga niet gedaan. De dga vindt voorts dat de inspecteur niet kan navorderen, omdat deze niet over een nieuw feit beschikt. Het hof verwerpt deze stelling. De dga had het grootste deel van de schuld aan de bv in box 3 in zijn aangifte opgenomen. Dat betekent dat voor de inspecteur de verschuldigde rente niet zichtbaar was in de aangifte. Daarbij komt dat het saldo van de lening behoorlijk schommelde. Dus de wijziging van het saldo van de lening kwam ook door andere oorzaken dan het bij- of afboeken van de rente. Verder zijn er volgens het hof ook geen feiten die de inspecteur aanleiding hadden moeten geven te twijfelen over de ingediende aangifte. Ook het beroep van de dga op dwaling wijst het hof af. De dga handelde in zijn hoedanigheid van debiteur van de vordering en in zijn hoedanigheid van bestuurder en enig certificaathouder van de bv. Hij moest zich bewust zijn geweest dat kwijtschelding niet zakelijk was.
Bron: Gerechtshof Den Haag 18 september 2019