Oplopende rekeningcourantschuld was uitdeling

Bij een dga die zijn rekeningcourantschuld liet oplopen, werden de toenames van de rekeningcourantschuld als uitdeling aangemerkt en belast als box 2-inkomen en werd een boete van 25% opgelegd.

Naar aanleiding van een boekenonderzoek worden er correcties aangebracht in de aangiften inkomstenbelasting van een dga over de jaren 2009, 2010 en 2011. De correcties hielden verband met de toename van de rekening-courantschuld in de jaren. De toenames worden als box 2-inkomen verwerkt. De dga is het hier niet mee eens en gaat in bezwaar en beroep.
Rechtbank Noord-Holland overweegt in deze zaak dat als een vennootschap aan haar aandeelhouder een lening verstrekt waarvan aannemelijk is dat deze niet kan of zal worden afgelost, deze lening moet worden aangemerkt als een onttrekking. Het bedrag van de lening heeft dan immers het vermogen van de vennootschap definitief verlaten. Dit wordt niet anders indien het bedrag van de lening kan worden verrekend met een toekomstige dividenduitkering.
Vaststaat dat de rekening-courantschuld in de jaren 2009, 2010 en 2011 is toegenomen en dat er voor die jaren geen rekening-courantovereenkomst bestond tussen de dga en de bv. Ook is duidelijk dat de dga ten behoeve van de aflossing van de rekening-courantschuld geen zekerheden heeft gesteld, dat geen rente en geen aflossingsschema zijn overeengekomen en dat de bv geen incassomaatregelen heeft getroffen. Daarmee hebben de bedragen van de opnamen in rekening-courant het vermogen van de bv voorgoed verlaten en moeten zij als onttrekking worden aangemerkt. Het inkomen uit aanmerkelijk belang is daarom door de inspecteur terecht vastgesteld om de toenames van de rekening-courant over de drie jaren.
Bron: Rb. Noord-Holland 30-11-2016 (publ. 11-01-2017)

Hardere aanpak bij belastingontduiking

In een brief aan de Tweede Kamer gaat staatssecretaris Wiebes van Financiën in op de internationale en (te nemen) nationale maatregelen om belastingontduiking tegen te gaan. De duimschroeven worden aangedraaid, maar eerst komt er nog een consultatie.

Wat de maatregelen op internationaal vlak betreft gaat de staatssecretaris in de brief vooral in op de automatische gegevensuitwisseling en andere ontwikkelingen om te komen tot grotere transparantie. Daarnaast gaat Wiebes in op enkele maatregelen op het nationale vlak. Zo zal de inkeerregeling worden afgeschaft. Onlangs is de boete voor inkeerders die pas na twee jaar na het doen van een onjuiste of onvolledige aangifte alsnog een juiste aangifte doen of informatie verschaffen verhoogd naar 120% van de verschuldigde belasting. Het kabinet stelt nu een nog strengere aanpak voor, namelijk afschaffing van de inkeerregeling. Wie binnen twee jaar inkeert, krijgt echter geen vergrijpboete opgelegd. Met de afschaffing van de inkeerregeling komt hieraan een einde: ook wie binnen twee jaar inkeert krijgt te maken met het normale boeteregime met een vergrijpboete van vooralsnog maximaal 120%. Het alsnog verstrekken van juiste en volledige inlichtingen door een belastingplichtige blijft wel gelden als een strafverminderende omstandigheid. Nog dit jaar zal de staatssecretaris een voorstel hiertoe ter consultatie voorleggen.
Staatssecretaris Wiebes van Financiën wil verder ook een hardere aanpak van adviseurs die meewerken aan belastingontduiking. De bewindsman denkt onder meer aan een inperking van het fiscale verschoningsrecht en het openbaar maken van boetes die aan een adviseur voor medeplegen zijn opgelegd.
Verder wil de staatssecretaris constructies die de invordering belemmeren tegengaan.
Bron: MvF 17-01-2017

Van transitievergoeding naar rugzak voor om- en bijscholing

Werkgeversvereniging AWVN wil de vergoeding bij ontslag op de schop nemen. Het stelsel waarbij alleen werknemers rechten opbouwen voor een transitievergoeding bij ontslag moet volgens de werkgevers wijzigen in een individuele ‘rugzak’ voor zowel vaste werknemers als flexwerkers, die al verzilverd kan worden voor vertrek.

De werkgevers willen zo het patroon doorbreken dat een werknemer pas over zijn inzetbaarheid gaat nadenken op het moment dat hij boventallig wordt verklaard. Met een brede scholingsplicht wil AWVN tevens een herverdeling aanjagen tussen vast en flex. Flexwerkers blijven tot nu toe volgens de werkgevers te vaak verstoken van de opleidingsbudgetten.
Volgens de AWVN kan een dergelijke individuele rugzak voor alle werkenden gefinancierd worden met de middelen die nu gestopt worden in sociale plannen. Ook een deel van het persoonlijke keuzebudget van werknemers zou eraan besteed kunnen worden. Verder wil AWVN het met fiscale prikkels aantrekkelijker maken voor werkgevers om te investeren in het leerbudget van werknemers.
Bron: FD 18-01-2017

Aantal ongevallen metaalsector verminderd

Het aantal ongevallen in de metaalsector is in de periode 2009-2015 met bijna 25% afgenomen. Ook leven de bedrijven de wetgeving steeds beter na. Dit blijkt uit de rapportage over de metaalsector 2009-2015 door de Inspectie SZW

De metaalsector telde in 2015 32.735 bedrijven. Hiervan zijn er ruim 4.600 geïnspecteerd. Het aantal werknemers bedroeg in 2015 ca. 373.800. Dit is 4,8% van alle werknemers in Nederland. De sector kenmerkt zich door een groot aandeel kleine bedrijven, zo heeft 83% tussen de 1-9 werknemers. Werken met machines en in aanraking komen met gevaarlijke stoffen zoals lasrook zijn belangrijke risico’s in de sector. Het gegeven van forse arborisico’s in combinatie met een lage naleving in de bedrijven (in 2010 bedroeg het handhavingsperctentage 81%) en het hoge aantal ongevallen, is voor de Inspectie SZW aanleiding geweest om in 2009 een meerjarig programma in deze sector te starten.
De belangrijkste resultaten van de controles die de afgelopen jaren zijn bereikt, zijn de duidelijke vermindering van het aantal ongevallen, de verhoogde naleving binnen de bedrijven en de realisatie van nieuwe arbocatalogi samen met de sociale partners.
Het succes van de in gang gezette aanpak krijgt een vervolg. Op basis van een integrale risicoanalyse en een herijking van de risico’s is een nieuw plan van aanpak voor de komende jaren vastgesteld. Dat is volgens de Inspectie SZW nodig, omdat het aantal ongevallen in de metaalsector nog steeds driemaal zo groot is als gemiddeld in andere bedrijven.
Bron: Inspectie SZW 15-12-2016

Laagste aantal faillissementen in acht jaar

Het afgelopen jaar zijn 4.396 bedrijven en instellingen (exclusief eenmanszaken) failliet verklaard. Dat is het laagste aantal na 2008.

Het aantal uitgesproken faillissementen, voor zittingsdagen gecorrigeerd, piekte in mei 2013. In 2013 bereikte het aantal faillissementen een piek van 8.376. Daarna is het aantal faillissementen drie jaar achter elkaar met ongeveer een vijfde afgenomen. Dit gaat samen met het economisch herstel in Nederland. De dalende trend hield aan tot augustus 2016. Toen werd het voorlopig laagste niveau bereikt na mei 2013. Sindsdien stokt de dalende trend.
In bijna alle bedrijfstakken is het aantal faillissementen gedaald. Het sterkst was de daling in de bouwnijverheid.
Net als in 2015 zijn in 2016 de meeste faillissementen van bedrijven en instellingen uitgesproken in de handel (952). Daarna volgt de financiële dienstverlening met 758 faillissementen. Dit betrof wel een daling met 20% ten opzichte van het jaar daarvoor.
Bron: CBS 16-01-2017

Verbetering faillissementswet verhoogt overlevingskansen

Bedrijven met betalingsproblemen maken meer kans op een succesvolle reorganisatie als de rechten van schuldeisers opgeschort worden. Om het management van een bedrijf tijdig surseance aan te laten vragen, is het belangrijk dat zij zeggenschap behouden na uitstel van betaling. Dit staat in het onderzoek ‘In vier stappen naar efficiëntere faillissementswetgeving’ van het Centraal Planbureau dat op 16 januari is gepubliceerd.

De huidige wetgeving kan volgens het CPB op vier hoofdpunten verbeterd worden. Ten eerste kan er in de wet onderscheid worden gemaakt tussen verschillende categorieën schuldeisers, waarbij voor elke categorie een verschillende afweging gemaakt kan worden over de betaling van schulden. Ten tweede kan er in de wet worden opgenomen dat het management, onder voorwaarden, grotendeels de zeggenschap houdt bij betalingsproblemen. De meeste ontwikkelde economieën hebben dit zo geregeld. Ten derde kan er in de wet worden opgenomen dat de rechten van schuldeisers met onderpand bij een uitstel van betaling en faillissement opgeschort worden. Dit helpt een crediteurenrun te voorkomen en bevordert de kans op een succesvolle doorstart. Ten vierde kan in de wet opgenomen worden dat, om te voorkomen dat individuele schuldeisers een doorstart dwarsbomen, een dwangakkoord bij uitstel van betaling mogelijk is.
Een efficiënte faillissementswet draagt bij aan een economie die zich snel aanpast aan veranderende omstandigheden, zoals economische crises en nieuwe technologische ontwikkelingen. De huidige Nederlandse wetgeving lijkt voor verbetering vatbaar: slechts 2,5% van de bedrijven in Nederland die hun schulden niet kunnen betalen maakt een succesvolle doorstart, terwijl dit in de Verenigde Staten 10% is. Ook het aandeel aanvragen voor een uitstel van betaling ligt in Nederland met 4% van het totaal aantal jaarlijkse faillissementsaanvragen veel lager dan bijvoorbeeld in de Verenigde Staten.
Bron: CPB 16-01-2016

Eerste resultaten proefprocedures box 3-heffing

Rechtbank Breda heeft als eerste uitspraak gedaan in twee proefprocedures over de hoogte van het forfaitaire rendement van 4% over spaargeld. In beide gevallen werd het beroep ongegrond verklaard.

De belastingplichtigen in beide zaken hadden betoogd dat belastingheffing van 30% over een forfaitair rendement van 4% in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM. Het rendement voor spaartegoeden wijkt namelijk te veel af van zowel het reële als het nominale rendement en daarmee is niet voldaan aan het ‘fair balance’-vereiste. In de ene zaak zou hierdoor in 2014 sprake zijn van een feitelijke belastingdruk op spaartegoeden (in termen van reëel rendement) van 317% (in termen van nominaal rendement 74%) en in de andere zaak van een belastingdruk van 500% (91% in termen van nominaal rendement). Volgens de belastingplichtigen is er sprake van een disproportionele inbreuk op het recht van eigendom. Hun grief richt zich niet tegen het forfaitaire systeem als zodanig maar met name tegen het gehanteerde percentage van 4%.
Volgens de rechtbank wordt teveel nadruk gelegd op de hoogte van de heffing over spaartegoeden. De rechtbank vindt dat een onjuist perspectief omdat bij box 3-heffing niet wordt gedifferentieerd tussen de verschillende vormen van bezittingen. Het past daarom niet om bij de beoordeling van de box 3-regelgeving een eenzijdige focus te leggen op één soort bezitting, hier spaartegoeden. Daarnaast is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat belastingplichtigen een zekere actieve houding zouden hebben om – zonder daarbij (veel) risico te nemen – rendement te behalen op hun bezittingen, bijvoorbeeld door te beleggen in staatsobligaties.
Volgens de rechtbank zijn voor het door de wetgever voor een reeks van jaren veronderstelde rendement niet de rendementen op (korte-termijn)spaartegoeden maatgevend. Het percentage van 4% is namelijk gebaseerd op een lange-termijnveronderstelling. Indien er vanuit wordt gegaan dat pas voor 2014 geldt dat een rendement van 4% onhaalbaarheid is, dan valt het naar het oordeel van de rechtbank binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever om niet onmiddellijk voor dat jaar tot wijziging van de box 3-heffing over te gaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat de box 3-heffing niet in algemene zin in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol in het onderhavige jaar 2014.
Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 11-01-2017

Voorwaarden voor verhoogde schenkingsvrijstelling eigen woning

De staatssecretaris heeft naar aanleiding van de herinvoering van de verhoogde schenkingsvrijstelling (Belastingplan 2016) voor de eigen woning, de uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting aangepast. Naast een nieuw artikel 5: Schenking ten behoeve van de eigen woning zijn in de toelichting op deze regeling een aantal voorbeelden opgenomen.

In het nieuwe artikel 5 staan de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om de verhoogde vrijstelling te kunnen toepassen. De vrijstelling van € 100.000 geldt in beginsel voor één kalenderjaar, maar mag in de twee daaropvolgende jaren alsnog worden benut als het in het eerste jaar een deel van de vrijstelling niet is benut. Voor de samenloop tussen de nieuwe verhoogde vrijstelling en de voor 1 januari 2017 bestaande verhoogde vrijstellingen is overgangsrecht opgesteld (zie: Schenkingsvrijstelling: actie in 2016?). De aangepaste uitvoeringsregeling is uitdrukkelijk niet van toepassing op dit overgangsrecht.
In de voorbeelden in de toelichting wordt uitgewerkt wanneer aan de bestedingseis wordt voldaan. Zo moet ten minste € 75.000 van het vrijgestelde bedrag besteed worden aan de eigen woning. Een bedrag van € 25.000 (de eenmalige vrijstellng die is afgerond voor de voorbeelden, in 2017: € 25.526) is vrij besteedbaar. Daarnaast zijn er nog een aantal voorbeelden opgenomen die rekening houden met een benutting van de vrijstelling over meerdere jaren.
Bron: MvF 29-12-2016

2016 normaal cao-seizoen

In de laatste maand van 2016 kwamen 15 nieuwe cao’s tot stand. De gemiddelde afgesproken loonstijging in die cao’s is 1,48%. Dat is net onder het jaargemiddelde van 1,5%. In 2016 verliepen in totaal 443 cao’s. Daarvan zijn 317 cao’s – 72% – daadwerkelijk al in 2016 vernieuwd. Procentueel is dat evenveel als in vorige jaren. Volgens werkgeversvereniging AWVN was 2016 een ‘gewoon’ cao-seizoen dat zonder noemenswaardige problemen is verlopen. Het aantal conflicten en het aantal stakingsdagen bleef laag, het aantal afgesloten cao’s normaal.

De hoogste loonstijgingen vorig jaar noteerde AWVN in de provincie Zeeland: 1,8%. Daarmee blijft die provincie Flevoland (1,7%) net voor. De gemiddeld laagste stijging werd afgelopen jaar overeengekomen door werkgevers die gevestigd zijn in Utrecht: 1,3%. De regionale verschillen hangen samen met de aard van de bedrijvigheid in de verschillende provincies. In Zeeland heeft de industrie de overhand, in Utrecht dienstverlening. Sinds een aantal jaren zijn de loonafspraken in de meeste industriële sectoren merkelijk hoger dan die in bijvoorbeeld (financiële) dienstverlening en detailhandel. Deze verschillen lopen globaal gelijk met oriëntatie op export (industrie) of de binnenlandse markt.
Bron: AWVN 5-01-2017

Regeling ketenbepaling bijzondere functies uitgebreid

Minister Asscher van SZW breidt het aantal functies uit waarbij de ketenregeling bij cao buiten toepassing wordt verklaard. Onlangs zijn daar functies in het primaire onderwijs en podiumkunsten aan toegevoegd.

Om te voorkomen dat toepassing van de ketenbepaling tot onaanvaardbare consequenties zou leiden, maakt de wet het mogelijk dat de minister van SZW toestemming verleent om bij cao de ketenbepaling voor specifieke functies geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te verklaren. Cao-partijen kunnen bij de minister van SZW een gezamenlijk verzoek indienen om de ketenbepaling buiten toepassing te verklaren voor bepaalde functies in hun bedrijfstak. Het moet dan gaan om functies waarbij het bestendig gebruik is en, vanwege de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering, noodzakelijk is de arbeid uitsluitend te verrichten op grond van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en waarvoor de gemaximeerde afwijkingsgrond bij cao (maximaal 6 contracten in maximaal 4 jaar) onvoldoende soelaas biedt. Op 30 juni 2015 is de ministeriële regeling gepubliceerd die bepaalt om welke functies het gaat (Regeling ketenbepaling bijzondere functies en hogere vergoeding kantonrechter). In de toen gepubliceerde regeling ging het met name om een aantal functies op het gebied van sport en cultuur. Met het toevoegen van functies in het primaire onderwijs en podiumkunsten is de regeling op 22 december 2016 uitgebreid. De uitbreiding betreft de volgende functies:
1. onderwijsgevend personeel of onderwijsondersteunend personeel met lesgebonden of behandeltaken, voor zover deze functie wordt uitgeoefend in verband met vervanging wegens onvoorzien ziekteverzuim op basis van een arbeidsovereenkomst met een looptijd van ten hoogste 14 dagen die is ingegaan in de maanden januari tot en met maart;
2. artistieke functies, artistieke steunfuncties en productie- of voorstellingsgebonden functies in de podiumkunstensectoren toneel en dans.
Bron: Stcrt 2017, 132